Radio 538KX Radio
Weblog Beste Bob Muijs Gemist Muijst Wanted Muijsmail
Radiohead komt met iets nieuws ouds

Misschien wel de beste band van het Engelse stukje continent, als je de Beatles & de Stones effe niet meerekent. En dan heb je natuurlijk Coldplay nog, al zou je die met een beetje goeie wil kunnen scharen onder de navolgers van de band in deze kwestie. Radiohead dus. Makers van het beste album uit de nineties, hoewel dan onmiddelijk ook Nevermind van Nirvana in m’n hoofd opdoemt. Nou ja, Nevermind.

Het cruciale derde album, en het album daarvoor bevatte al pareltjes als Fake Plastic Trees, High & Dry en niet te vergeten Street Spirits. Hoe dat te toppen. Nou, met Ok Computer dus. Wat een album. Midden in de nacht over een lege snelweg iets boven de toegestane maximum snelheid cruisen en deze cd in de speler. Zalig. Geopend door gitaren, dan van links naar rechts in hun persoonlijke Bohemian Rhapsody Paranoid Android, gevolgd door dromerige klanken, vage teksten en het ene pareltje na het andere.

Daarna sloeg de vernieuwingsdrang toe op Kid A, waar mooie liedjes werden verpakt in experimentele klanken. Het daaropvolgende Amnesiac bood van hetzelfde laken een pak, daarna ben ik het spoor een beetje bijster geraakt. Thom Yorke bracht een solowerk uit, In Rainbows vind ik op een dromerige dag nog wel te pruimen, verder liet ik Radiohead meer en meer links liggen. Zo heb ik een jaar geleden de release van hun album The King of Limbs compleet gemist. Anders had ik wel veel eerder dit hoeraberichtje kunnen typen, om op z’n minst de loftrompet te steken over The Daily Mail. Had ik kunnen roepen: Radiohead is terug, of op z’n minst in dit nummer dan. Dit klinkt weer als een liedje. Ok, een meezingbaar refrein ontbreekt nog steeds, maar soit. Die opbouw, die klagende stem, die melodie, die gitaren die halverwege invallen, die afwezigheid van enige vorm van bliepjes, piepjes en ander pc-lawaai. Voor drie en een halve minuut is Radiohead terug in 1997. En dat vind ik dus goed nieuws.

Over snooker & zieltjes winnen

Deze column verscheen eerder op www.snookerwereld.com, naar aanleiding van de World Championships en daarmee het einde van het snookerseizoen 2010-2011. Intussen worden in Londen de Masters gehouden, met het WK het meest prestigieuze snookertoernooi.

Hoe het zover gekomen is? Het was die keer dat ik, meer hangend dan zittend, al zappend langs het rustgevende beeld van dat groene laken, het voorzichtig wrijven over de zwarte bal en het krijten van de keu, eens een keer niet langzaam in slaap sukkelde. Sinds het verdwijnen van het testbeeld had weinig mijn televisiesiësta kunnen vervangen: Dr. Phil en Lingo had ik al links laten liggen, en bij de dvd met rondzwemmende goudvis ging je toch liggen turen tot de goudvis dankzij het montagemoment in zijn kom versprong. Maar dat spelletje met die twee spelers in dat oberpakkie; het voldeed aan alle criteria. Rustgevend, tergend traag eigenlijk, en bovendien onbegrijpelijk.

Deze keer vielen m’n ogen niet dicht. Daadwerkelijk iets doen vond ik gezien de temperatuur die de thermometer aangaf ook geen optie, dus bleef ik kijken. En probeerde te begrijpen wat ik zag. Tuurlijk, ik had wel eens aan een pooltafel gestaan, maar dit was duidelijk andere koek. Dan kwam er weer één punt bij, dan weer zeven, dan werd er een bal teruggelegd, en dan weer niet; ik begreep er eh… de ballen van. Maar bleef kijken.

De dag erop keek ik weer. En die dag daarop. Inmiddels zijn we vele dag en jaren verder, volg ik elk toernooi op tv en hoef je me niets meer uit te leggen over long pots, plants, safety shots en 147s. Vraag ik me af of Ronnie ooit nog een finale weet te winnen, wanneer Hendry zijn keu aan de wilgen hangt en of Trump echt de sensatie van de toekomst is. Abacadabra voor de rest van de wereld, getuige het aantal followers dat me de rug toekeert op twitter; elke keer als ik iets over snooker de wereld in slinger daalt het getal der geïnteresseerden drastisch. Dat halve timelines volgespamd worden met verhalen over voetbal lijkt niemand te deren; snooker is not sexy. Dat het, net als football, in Engeland big & booming is, maakt niet uit. Ze rijden daar toch links en eten patat met vis? Nou dan. Dat er in China miljoenen mensen voor de buis zitten als een snookerspleetoog staat te spelen, boeit niet: daar punniken kinderen van 6 onze iPhones in elkaar en eten ze ’s avonds toch bami met gebakken hond? Ik bedoel maar.

Alle hoon en spot ten spijt: mijn missie ging voort. Tijdens het laatste WK besloot ik mijn tactiek te wijzigen. Ik ging ondergronds. Niet meer voor de massa, maar één op één. Ik had mijn vrijwillige slachtoffer gevonden. Zo iemand die er hooguit eens was langs gezapt, erbij in slaap viel en er de ballen van begreep. O ja, aanvankelijk ging het van ‘ik kan niet snookeren, ik heb geen keus’ en ‘ik denk dat die in dat oberpakkie gaat winnen.’ Maar na een week werd het serieus. Ik legde uit over long pots, plants, safety shots en 147s. En we vroegen ons af of Higgins zijn comeback kon vervolmaken en of Trump zijn beginnerssucces kon verzilveren.

Het werd een memorabel WK. Niet langer was ik de roepende in de woestijn, die ene man langs de lijn. Ok, het gaat misschien niet met miljoenen, maar zieltje voor zieltje wordt gewonnen voor de snookerzaak. Nieuw snookerseizoen, here I come! Who’s next?

Inspiratie

‘Maak er wat van, maak er wat van, en als je ontevreden bent; doe er dan wat an,’ zongen Bert & Ernie al in achtienhonderdzoveel en waren met deze Middeleeuwse wijsheid hun tijd ver vooruit. Niet dat wij Nederlanders veel doen met de toegezongen suggestie van deze twee educatieve muppets: wij zetten het liever op een zeuren. Klagen liever de complete brievenrubriek van de Volkskrant vol – drupje azijn erbij, strik erom, en dan kunnen de katten erop kakken – dan dat we onszelf ferm toespreken, even de tanden opelkaar doen en de versnelling in volle kracht vooruit zetten. Zeker, ik doe er zelf ook aan mee. Liever lui dan moe laat ik ook het kopje eerder hangen dan ik mezelf in dat glorieuze visioen – waarin ik mijn welgevormde spieren toon in een masculien blauw pak met de S van Supermuis erop geplakt – zag.

En dus klaagde ik in mezelf dat het toch wel erg veel werk was: een uur typen voor zes lezers en die ene enkeling die verdwaald op het wereldwijde web niet op de voornaam van Bas Muijs was gekomen en bij het zien van mijn foto dacht dat die acteur uit Onderweg naar GTST niet bepaald lekker was opgedroogd. Onder die zeven min één belangstellenden zat nog wel eens een echte fanatiekeling, die na het lezen van zelfs de allerlaatste alinea besloot tot het plaatsen van een positieve reactie, maar steeds vaker bleef de teller op nul steken. Waar doe ik het allemaal voor, verzuchtte ik, en waar moet ik in het godsnaam nog over hebben. Ik weet het aan de inspiratie, en hoorde Pia Douwes Mathilde Santing in mijn hoofd kwelen. ‘Je noemde het iiin-spiii-ra-tiiiiiieeeeee’ en de inspiratie was verder weg dan ooit. Sterker nog: zittend met de handen in het haar heb ik geen idee hoe het nu verder moet. Gewoon opschrijven wat er in je opkomt, zegt een stemmetje in m’n hoofd. Zou Pia Douwes Mathilde Santing twitter hebben? schrijf ik op, en bedenk me daarna dat twitter de oorzaak van alle ellende is. Met de komst van dat sociale medium praten we slechts nog in teksten van maximaal 140 tekens. Alsof de krant alleen nog bestaat uit koppen. Beatrix, Abu Dabhi, moskee, hoofddoekje, Geert Wilders, boos, belachelijk, onderdrukking. Is all you need to know. Wat zal je jezelf belasten met meer info, in de volgende tweet dient zich namelijk een kat aan die figureert in een grappig filmpje. Of andersom. En de wereld draait doorrrrrr. In Syrië zijn naar schatting 3000 doden gevallen, vermoedelijk gedood door het leger die met harde hand optreedt tegen betogers. Jan Mulder is mijn tafelheer. Jan, sta jij eigenlijk nog steeds achter Cruijff? ‘Matijs ze haar zit egt vaag’ lees ik in mijn tweede scherm op twitter. En meteen daar achteraan: Wordfeud ligt plat, oh my God, mijn leven staat stil!

Waar twitter nog zorgde voor een conversatie van 140 tekens, daar praat de allerjongste generatie slechts nog in woorden van maximaal 8 letters. En ook ik lees steeds minder vaak een boek. Je weet wel, zo’n ding met woorden van ongelijke lengte, soms zelfs meer dan acht letters achter mekaar, behalve bij Ronald Giphart, die zich heeft bekwaamd in het zo vaak mogelijk opschrijven van drieletterige lichaamsdelen. Liever lui dan moe stop ik een bladwijzer bij pagina 6 en leg nog eens een achtletterwoord, zoals Vumqnen, Qnueeep en Ieefyan. Waar gaat het heen met de wereld? mijmer ik en at random bedenk ik: en waar gaat het heen met je weblog?

Donderdag 12 januari 2012. Ik heb een veilige tijdsmarge ingebouwd om het niet op een goed voornemen te laten lijken. Vorig jaar deed ik ook alsof ik hernieuwde inspiratie had, en die stokte dan weer een paar maanden later. Of was het luiheid? Het gebrek aan belangstelling misschien? De reactieteller die op nul bleef staan? Twitter? Wordfeud, waar ik overigens wel heel goed in geworden ben het afgelopen jaar?

Allemaal onzin. Al leest helemaal niemand dit, ik vind het prima. Wordfeud lekker verder. Mijn nickname is trouwens Flipperdieflapflap, ik ben er nog niet uit of dat een gebrek of overschot aan inpsiratie was. Ik typ vrolijk door, inspiratie te over. Zo heb ik nu al een idee voor mijn volgende stukje: daarin lijkt het net alsof ik Geert Wilders vergelijk met Hitler, maar dat blijkt dan uiteindelijk toch niet zo te zijn. En dat brengt Pia Douwes Mathilde Santing en Geert Wilders tezamen in één stukje; wat een heerlijke creatieve jongen ben ik toch. Knap trouwens dat je bent blijven doorlezen na het noemen van de naam Pia Douwes Mathilde Santing. Ik dacht: laat ik ook maar even doen alsof ik in het volgende stukje ga doen dat ik Geert Wilders vergelijk met Hitler, dan heb ik voor de volhoudende lezer nog even de aandacht weten vast te houden. Want zelfs al ben je de enige overgebleven lezer van deze zin; al is er maar één iemand die me opzoekt als ik in de gevangenis zit naar aanleiding van een stukje waarin ik Geert Wilders met Hitler vergelijk, en waar ik op een cel van twee bij twee zit te Wordfeuden met mezelf omdat ik geen contact mag hebben met de buitenwereld; voor die ene lezer doe ik het.

Ik schrijf dit voor niemand, alleen voor jou. Ik noem je inspiratie.

Happy Birthday Bob

Bob Dylan wordt dinsdag 24 mei 70 jaar. Dat is een heugelijke dag. Omdat hij eigenlijk in 1966 al dood ter aarde had moeten storten, getuige de wallen die tot op z’n sokken hingen en een naar vandaag bekend is geworden hardnekkige heroineverslaving daarenboven. Dat hij dat jaar heeft overleefd en er meteen 40 plus aan vast knoopte geeft dus reden voor dankbaarheid. Temidden van alle festiviteiten op en rondom die dag had ik het weinig originele maar daarom niet minder gemeende idee om ook een steentje bij te dragen aan de feestvreugde. Bob is immers mijn muzikale held. Nu kan ik zelf niet zingen -ja, kom maar op met die grap dat er dan weinig verschil is met Dylan- dus een muzikale ode zit er niet in. Ook een historische uiteenzetting over het belang van Bob door de jaren heen en een chronologisch overzicht waarin alle wetenswaardigheden zijn verwerkt ligt niet helemaal in lijn met mijn karakter. Een beetje plaatjes draaien, dat is wat ik kan. En wat ik dus ga doen.

Dinsdagavond heb ik een uurtje zendtijd gestolen op mijn zo geliefde hobbystation KX Radio. Allemaal luisteren tussen 22:00 en 23:00 uur 21:00 en 23:00 uur, want dan hoor je… Nou ja, je raadt het al: mij met plaatjes van Bob Dylan. En misschien ook wel eentje van jou erbij, als je effe mailt naar martijn.muijs@kxradio.nl. En met Bertolf, want die kan wel zingen, en gaat dus vrijdag de 27e een muzikale ode brengen aan één van zijn muzikale meesters. Daarnaast Tom Willems, waarschijnlijk Bobs grootste fan binnen onze landsgrenzen en daarnaast oprichter van deze Bobblog. Er is wat mij betreft zelfs ruimte voor Dylanhaters, want ik ben de eerste om toe te geven dat het heus niet alleen hosanna en halleluja is wat de klok slaat. Kortom: een uurtje ongecompliceerde heldenverering.

Dat je helden eren nog niet het makkelijkste is dat er bestaat, bewijst wel de uitzending van De Wereld Draait Door, waar afgelopen week aandacht werd besteed aan de zeventigste verjaring van Bobbie. Met Jan Donkers, eminence grise onder de popstukjesschrijvers en daarnaast een jeugdige schrijfster wier naam ik vergeten ben en waar ik ook nimmer iets van zal lezen naar alle waarschijnlijkheid. Beide bewonderaars van Bob, maar niet bepaald de beste verspreiders van het evangelie. Want de beginjaren werden weggezet als overdreven gekweel van een protestzanger (heb je die Nobelprijswinnende teksten wel eens goed gehoord?), die gospelplaten van begin jaren 80 waren al helemaal een gotspe (ok, hij had er zomaar headliner mee kunnen zijn op de EO Jongerendag, maar ik hoor menig muzikaal hoogtepunt), Bob had zich door de Chinese overheid laten ringeloren (helemaal niet waar, er is weliswaar een setlist ingeleverd bij de partijbonzen, maar die verschilde niets met de lijstjes buiten het communistische land) en live concerten van ‘m kun je sowieso beter mijden vanwege de deplorabele staat van Bobs stem. Hm, da’s misschien wel een beetje waar, hoewel ik er eind juni toch weer aan ga toegeven in Duitsland. Want: het is en blijft Bob en zo lang hij leeft wil ik ‘m zien.

Dus kunnen we voor deze ene keer, omdat hij maar één keer 70 wordt, gewoon even ongecompliceerd aan irrationele heldenverering doen? Kijk dan vooral onderstaand fragment niet. Maar wel luisteren, dinsdagavond tussen 22 en 23 21 en 23 uur, KX Radio!

Dylan Dertig: 5 t/m 1

5.

It’s Alright Ma, I’m Only Bleeding, Ho ho ho. Yeah, it’s a funny song. Zo luidde ooit de aankondiging van dit nummer door de maker zelf. Het is natuurlijk helemaal geen vrolijk liedje. Wel één met een bijzonder rijmschema, want zeg nou zelf: wanneer was de laatste keer dat je een zanger gebruik hoorde maken van rijmschema AAAAAB?

Dankzij overijverige statistici kun je tegenwoordig op bobdylan.com bij elk liedje bekijken hoe vaak het werd gespeeld, waar en wanneer de eerste uitvoering was, en waar het voor het laatst werd opgevoerd. Als je ooit bij een concert bent geweest is de kans vrij groot dat dit nummer op de setlist stond. 749 keer werd het gespeeld, de eerste keer in 1964, de laatste keer was halverwege 2009.

Vijfenveertig jaar na dato wordt het nog altijd met veel gejuich ontvangen. Een extra applaus stijgt steevast op bij die ene strofe. Of het nou is in Rio de Janeiro, Parijs, New York of in ons eigen Rotterdamse Ahoy: die ene zin lijkt wel publieksfavoriet onder alle zinnen. Even the president of the United States sometimes must have to stand naked. Daarmee is dit liedje machtiger dan alle presidenten die het machtigste land op aarde ooit heeft gehad: deze strofe overleefd iedereen, overstijgt elke ambtstermijn. Ok, Bob Dylan aanhangers zijn over het algemeen wel een beetje links van het midden, en Bob geneert zich er niet voor op hetzelfde kiekje te staan als Bill Clinton en ook een invitatie van Obama voor een matineevoorstelling in het Witte Huis slaat hij niet af, dus zolang de democraten aan de macht zijn zal het protest zwakker klinken. Des te krachtiger klonk het toen Dubbeljoe Bush nog aan de macht was. Het was helemaal niet op zijn lijf geschreven, en toch stond hij in z’n hemd. Da’s nou de kwaliteit van de liedjesschrijver: zorgen dat iedereen zich erin herkent, zonder het noemen van specifieke namen.

Tijdloos dus.

PLAY: It’s Alright Ma (I’m Only Bleeding) (Live, At Budokan)

4.

Bedenk je één ding. Bedenk dat hij 21 was toen hij dit schreef. 21. Als ik me dat bedenk voel ik me oud en mislukt tegelijk. Bedoel, wat deed jij toen je 21 was? Met je vrienden in de kroeg zitten, onder invloed van weet ik veel wat een paar regels poëzie op papier zetten, om de volgende dag te constateren dat het niet eens goed genoeg is voor de nieuwste hit van Frans Bauer. Dan kon de wereld om je heen best in brand staan, maar hé, het is zaterdagavond en we nemen er nog één. Het zal ons een zorg zijn, het gaat om het hier en nu, en goh meisje, wat heb je lieve blauwe ogen. Op de achtergrond zingt iemand over andere tijden, en het is niet Boudewijn de Groot. Die had immers een groot tekstdichter naast zich nodig om zelf ook tot grote hoogten te kunnen stijgen. Maar dit. Dit is Rimbaud op muziek. Of Shakespeare met een gitaar om z’n hals. En dan moet ik Harry Mulisch nog openslaan zeg. Kom op, ik ben 21, ik heb net dat gelees voor de lijst achter de rug, mag ik me even ontspannen met de Nieuwe Revu misschien. Op de achtergrond rijgt hij de ene na de andere regel aan elkaar. Oud-testamentisch en dreigend. Onheilspellend, duister. Een gitzwart toekomstperspectief. Joh, het leven is toch leuk, laten we het eens van de zonnige kant bekijken. Die atoombom is allang gevallen, de koude oorlog ten einde, kom op, waar hebben we het over. Jajaja, war on terror, zullen we een spelletje doen. Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet. Een kamer vol mensen met hamers die bloeden. Een juffrouw die in brand staat. Stop stop stop. Hou op met je narigheden. Oh, ik heb teveel gedronken. Ik voel het naar boven borrelen. Ik ga m’n ogen dichtdoen en als ik ze morgen weer opendoe hoop ik dat deze nachtmerrie voorbij is.

PLAY: A Hard Rain’s A-Gonna Fall (Live, No Direction Home, The Soundtrack)

3.

In mijn visioen is Johanna een Spaanse dame. Sowieso is Bob een man met een voorliefde voor de zuidelijke Europese staten. Denk aan Boots of Spanish Leather, hij bezingt de straten van Rome, Suze Rotolo had Italiaans bloed, voor zijn soon to be ex-vrouw Sara tovert hij haar nog een keer het beeld voor ogen van die vakantie in Portugal. Maar misschien is het ook wel een oerhollandse, eentje uit de klei. Onze eigen Johan vernoemde zich immers naar haar. Ja, Johan verwijst natuurlijk naar Johan Cruijff, maar voordat de band Johan Johan heette, heetten ze Visions Of Johanna. Ik bedoel maar.

Maar nee, nu ik er langer over nadenk, zijn de beelden te broeierig voor een nuchtere Noordeling. Eerder een film-noir, waar je vanuit de mist een vage figuur op ziet doemen. In zijn mondhoek een ongefilterde sigaret, er kringelt rook omhoog. En in zijn hand houdt hij een groot wit vlak, en op dat witte vlak wordt een beeld geprojecteerd – deze keer in kleur. En in kleur zie je een vrouw, begerig kijkend, uitdagend ook, maar toch afstandelijk. Ze draagt een rode jurk. En in haar handen een groot wit vlak, en op dat witte vlak wordt opnieuw een beeld geprojecteerd – nu zwart-wit. De beelden vloeien in elkaar over, worden één geheel.

En dan wordt ik wakker. In een halve sluimer denk ik heel even te begrijpen waar het over gaat – kan ik het beeld bijna pakken. Maar als ik mijn mond opendoe komt er geen zinnig woord uit. Ik heb gedroomd dat ik wakker werd. En pas dan wordt ik echt wakker. Eén regel spookt nog na. Ain’t it just like the night to play tricks when you’re trying to be so quiet?

PLAY: Visions Of Johanna (Blonde on Blonde)

2.

Een vriend van me, muziekliefhebber en plaatsgenoot, vroeg me ooit eens welke plaat van Bob Dylan hij absoluut eens gehoord moest hebben. Overtuig me, riep hij er bezwerend bij. Over John Coltrane en J.J. Cale waren we het eens, maar hij was daarnaast meer dan ik Beatlesgek en Lou Reed-aanhanger. En dan vergeet ik nog helemaal zijn voorliefde voor punk en James Taylor. Ik dacht na. Time Out Of Mind, de eerste stap die ik zelf zette op het Bob Dylan pad, leek me teveel proza op te weinig akkoorden. Blonde On Blonde misschien weer te poëtisch, het zou in zijn oren zomaar kunnen klinken als artistieke rijmelarij. Highway 61 Revisited misschien? Dat bevatte al wat meer echte liedjes en een poging tot zuiver zingen, maar als je The Beatles en James Taylor op één lijstje had staan moest je met meer aankomen dan een poging tot zuiver zingen.

Eén voor één streepte ik ze weg en er bleef maar één mogelijkheid over. Blood On The Tracks. Bob die uit z’n tenen zingt, een akoestische gitaar, maar ook een contrabas, persoonlijke teksten en liedjes met een kop en een staart. De liefhebber slikt het voor zoete koek, maar voor de fijnproever was alleen het beste goed genoeg. Ik wilde niet nog eens de fout begaan door iemand mee te nemen naar een concert waarvan ik dacht dat hij maar één zetje nodig had om hem in hetzelfde kamp te duwen. Na afloop was hij matig enthousiast, terwijl ik in de hemel was geweest. Helaas was het ook mijn vader, die ik daarna nooit meer mee vroeg, zelfs niet als chauffeur. Ik begon thuis over van-alles-en-nog-wat, maar Bob Dylan was vanaf dan no-go.

Na een week of twee kreeg ik de cd weer terug. En, vroeg ik m’n vriend, wat vind je er van? Ik vroeg het hoopvol, niets anders verwachtend dan een lofrede op dit meesterwerk. Ik kwam van een koude kermis thuis. Tien nummers over zijn gestrande huwelijk. Dat was teveel van het goede. Ja, een vrolijk album kun je het niet noemen, dat was zo. Bob ziet zijn huwelijk op de klippen lopen en weet dat er geen redding meer mogelijk is: het lot is onomkeerbaar, definitief. Maar hoe hij het beschrijft, hoe hij het bezingt, heel persoonlijk, hoe kun je daar ongevoelig voor zijn? Hij vond het aanstellerij en daarmee was de kous af. Hoorde ik er dan iets anders in? Was ik misschien niet kritisch genoeg? Ik had het wel eens vaker gehoord. Die Bob Dylan, da’s ook een pessimist zeg. Nooit eens iets vrolijks te melden.

Maar wie het album opzet, de eerste klanken van Tangled Up In Blue hoort, de eerste regels, de liefdesgeschiedenis die een zwarte bladzij bijgeschreven krijgt, kan toch onmogelijk onbewogen blijven. De liefde, gevangen in het noodlot, wie weet er nou niet van. Dylan beschrijft het dal, dat dal waar iedereen wel eens geweest is. De hulpeloosheid en hoop die doet leven, het afscheid en het weerzien, de vonk en het uitdovende vuur. Wie zal zich daarin niet herkennen?

Ik zet het nog eens op en denk: misschien ben ik wel gek. En daarmee prijs ik me gelukkig.

PLAY: Tangled Up In Blue (Blood On The Tracks)

1.

Wat valt er nog te zeggen over iets waar al zoveel over is gezegd. De klap aan het begin, de donderslag die het nummer opent, zorgde voor eenzelfde schokgolf in de muziekscene. Een single van 6 minuten, dat was nog nooit vertoond. Om over de inhoud nog maar te zwijgen. Vier giftige coupletten, uitmondend in een snerend refrein. Dit waren toch de zonnige jaren 60, dat decennium van love, peace & happiness? Dit was allesbehalve liefelijk en muzikaal ook nog eens anarchie. Een gitarist op een hammondorgel, en degene die hammondorgel had moeten spelen, achter de piano. Het is een klassieker in de dop: op die dag wordt muziekgeschiedenis geschreven. Ik kan me niet herinneren ooit bij een concert te zijn geweest waarbij het ontbrak. Al is de inspiratie wisselend, als vaste klant weet je: tweede nummer van de toegift. Avond aan avond, jaar in, jaar uit, het is vaste prik in een verder onvoorspelbare ranglijst van liedjes. Meestal wend ik die avond voor het eerst mijn hoofd af van het podium, kijk de zaal eens rond, vooral de achterste rijen zijn uitgelaten: hiervoor zijn ze gekomen, eindelijk een hit. Uit volle borst zingt iedereen het refrein mee. Toch breekt het geen records: in Nederland haalt het maar net de top 10 en met een 7e plek is het niet eens zijn grootste hit in dit land.

En toch moet dit ´m zijn. De hoogste sport op de ladder. Er is er maar één die kan grijpen naar de allerhoogste titel. Ik denk nog even aan de zachte steelgitaar in Tell Me That It Isn’t True, het bitterzoete van Is Your Love In Vain, het tikken tegen de gitaar in Shelter From The Sorm, het klikken met de hakken op Blind Willie McTell, de melancholie van Standing In The Doorway, de jaren 80 echo in Brownsville Girl, het moerasachtige van Man In The Long Black Coat, dat basloopje in Most Of The Time, het losse van Shot Of Love, nogmaals de melancholie in Emotionally Yours, de blues met hoofdletter B van Someday Baby.

Dit had ik allemaal kunnen kiezen voor de koppositie, maar het werd het niet. Er is zoveel moois en misschien zelfs mooiers, maar dan is dit nog steeds beter en misschien wel het best. Volgens sommigen zelfs het allerbest: een paar jaar geleden werd het verkozen tot beste nummer allertijden. Maar da’s misschien ook weer niet zo gek als je bedenkt dat die verkiezing werd uitgeschreven door Rolling Stone.

PLAY: Like A Rolling Stone (Highway 61 Revisited)

Dylan Dertig: 10 t/m 6

10.

Soms denk ik dat ik op hem lijk. Dat jij mij bent, en ik jou. Tuurlijk, mijn leven voltrekt zich heel anders dan dat van jou, om te beginnen ben jij uit 1941 en ik uit 1982. Een gapende generatiekloof. Ik leid niet het leven van een artiest, bezit niet huizen op alle continenten, wordt niet avond aan avond toegejuicht en ben niet getrouwd met de zoveelste vrouw en daarna toch weer vrijgezel. Maar er is er iets wat ons bindt. Is het niet de geschiedenis, je achtergrond, je opvoeding, dan misschien iets dat diep verborgen zit. Of is het datgene wat ons allemaal verbindt? Zou iedereen uiteindelijk hetzelfde zijn? Is mijn denken en mijn doen universeel? Voelt elke man wat de buurman ook voelt? En de vrouw… zou de vrouw waarover je zingt zichzelf herkennen? Zou ze weten dat zij het is? Zou ze zich aangesproken voelen als je over haar zingt? Zou ze haar ogen neerslaan in het besef dat jij het bent die tegen haar zingt? Zou ze bedenken hoe ze het allemaal weer goed zou maken als jij nu voor haar zou staan? Zou ze veinzen dat het mogelijk zou zijn om alles wat gebroken is te lijmen? Zou ze de scherven oprapen terwijl jij voor haar staat, en het dan zachtjes in jouw hand drukken? Zou ze haar ogen opslaan, je zwijgend aankijken of nog eenmaal zeggen dat ze van je houdt? Zouden haar blauwe ogen je nog eenmaal raken? Of zou je wegkijken, je omdraaien, naar de deur gaan en voor altijd weggaan?

Misschien is het dezelfde vrouw. Dezelfde vrouw als alle vrouwen. En zijn wij man zoals alle mannen. Zijn wij één. Kan ik jou troosten zoals ik me laat troosten door jou.

PLAY: It’s All Over Now (Baby Blue) (Live 1975, The Bootleg Series Vol. 5, The Rolling Thunder Revue)

9.

Het lot. Komt het van boven? Heb je het zelf in de hand? Is het God? Is het onder een ladder doorlopen? Is het puur toeval?

Het lot. Het leven begint en eindigt ermee. Ons lot op aarde geworpen te worden. En aan het eind één zekerheid te hebben: het lot van doodgaan. Tussendoor proberen we het lot uit de loterij te bemachtigen. Proberen we het lot te bedwingen. Te bezweren. Is het niet met voodoo, dan wel met een verzekering.

Het lot. Oh, we zijn slechts onwetende Dries Roelvinken in een onmetelijk grote ruimte, een oneindig universum. En je houdt de scherven in je handen, de puzzelstukjes vallen uit elkaar.

Het lot. Veel liever had ik in een doorzonwoning gezeten, om elke dag met de trein naar mijn negen-tot-vijf-baan te gaan. Maar Bob was er stellig van overtuigd dat hij zich niet kon ontrekken aan zijn lot: artiest zijn was geen keuze, het was het lot. Gitaar spelen kun je leren, een liedje schrijven tot op zekere hoogte, maar hoe vloeit dan de ene na de andere melodie uit je pen, een tekst met eeuwigheidswaarde en de muziek die collectief in het geheugen gegrift staat? Stellig, dat komt van boven. Een beetje van jezelf, en een beetje magie. En dan maar hopen dat de Grote Hand niet wijkt, het talent van je afneemt en je weer laat verworden tot een onwetende Dries Roelvink in een onmetelijk grote ruimte, een oneindig universum.

Het lot. Alstublieft, hier heeft u het cadeau, u mag het houden, sterker: u mag het niet teruggeven. U krijgt het volledige pakket, inclusief roem, aandacht, lofuitingen. Doe ermee wat u wil, maar misbruik het niet. O, en er komen ook vrouwen op af. Veel vrouwen. De één voor een avondje plezier, de ander voor je geld, weer een ander voor een onschuldige handtekening, een laatste voor je leven. En je zult moeten toegeven, dat is het lot. Je hebt immers iets onmenselijks aangenomen, en je bent maar een mens. En je zult de scherven in je handen houden, de puzzelstukjes vallen uit elkaar. Maar ga niet bij de pakken neerzitten. Schrijf er liever een goed liedje over. Het wordt een mooi lied, want ik ben erbij. Dat is het lot.

PLAY: Simple Twist Of Fate (Blood On The Tracks)

8.

Een liedje dat klinkt als rijden in een gestolen auto, waarbij je alle obstakels op weg naar je geliefde omver rijdt, iedereen overhoop rijdt die je ooit in de weg heeft gestaan, terwijl de zon je haren door het open dak streelt en je meeneuriet met een simpel liefdesdeuntje op de radio. Zo zou je het kunnen omschrijven. Of zoals Bob het zelf omschreef: dat dunne, dat wilde kwikzilveren geluid. Of zoals professor Christopher Ricks zei: poëzie die in verschillende opzichten heel bijzonder is en op een suggestieve manier waar is. Of zoals Al Kooper zei: niemand heeft het geluid van drie uur ’s ochtends beter vastgelegd dan hij op die plaat. Niemand krijgt het zo goed, zelfs Sinatra niet. Of zoals fotomodel Edie Sedgwicks dacht: dit nummer gaat over mij. Of zoals sommigen beweren: hij zou hiervoor de nobelprijs voor de literatuur verdienen.

I want you. Dat simpele, dat vanzelfsprekende. I want you, so bad. Je bent jong, en je wilt wat. Je wilt wat, en je krijgt het. Het is 1966 en alles mag, alles kan. Wat wil je nog meer?

PLAY: I Want You (Blonde On Blonde)

7.

Het slotstuk. Het piece de resistance. Het beste voor het laatst bewaard. Zo overdonderend als Highway 61 Revisited begint, met een luide klap op het drumstel als startsein voor Like A Rolling Stone, zo verstild eindigt dezelfde plaat. Weg met het lawaai, de versterkers uit, de band naar huis. Er smeulen nog wat peuken na in de asbak, de lichten zijn gedimd.

Nog één keer alles geven. Het laatste vel. De laatste zucht. Vaak zijn de laatste loodjes het zwaarst, in zijn geval zijn de laatste loodjes het langst. Zo heeft hij het 13 minuten lang over de Sad Eyed Lady Of The Lowlands, op het album Time Out Of Mind maakt hij het zelfs nog bonter: een ruim kwartier bezingt hij de Highlands op een handvol akkoorden. En zelfs bij slechte platen is het einde nog de moeite waard: we spreken over midden jaren 80, als Dylan compleet de weg kwijt is en krampachtig aansluiting zoekt bij de videogeneratie van MTV. Hij sluit drumcomputers aan, huurt een hippe producer in. Hij is als Bob Harris in de film Lost In Translation. Losgelaten in Tokio, dezelfde planeet, maar toch een totaal andere wereld. Hij is zichzelf kwijt. En na een paar niemendalletjes, echte doorskippers en tenenkrommende exercities, als je al 10 keer je cd-speler uit het raam had willen gooien, is daar ineens Dark Eyes. Alleen hij, met een gitaar. Zonder opsmuk, maar echt. Dat ene nummer maakt de aanschaf van het hele album waard.

Zeven minuten pure poëzie. Geen idee waar het over gaat, maar ik heb het gevoel dat het waar is wat hij zingt. Met ingehouden adem luister ik, een paar tellen ben ik stil, ik slaak een zucht. De laatste loodjes zijn het mooist.

PLAY: Desolation Row (Outtake, Bootleg Series Vol. 1-3 1961-1991)

6.

De allereerste videoclip wordt het wel genoemd: het filmpje bij Subterrenean Homesick Blues. Ok, de band Queen was geloof ik de allereerste die speciaal voor een liedje een video schiet, en de beelden behorend bij dit liedje zijn het startschot voor de documentaire Dont Look Back, maar toch: noem het een videoclip avant la lettre. Bob houdt in één of ander industrieel straatje een verzameling borden vast, met daarop enkele woorden en losse zinnen uit het liedje. Even simpel als doeltreffend, en goed bedacht door Sony bij het uitkomen van verzamelbox nummer zoveel dat je je eigen tekst kon invullen op die borden. Volgens mij had de plaatselijke platenmaatschappij bedacht dat de 20 leukste inzendingen beloond zouden worden met die 3-dubbel-verzamelbox. Mijn tekst zal ongetwijfeld zoiets zijn geweest als: hier had mijn tekst kunnen staan. Hoe dan ook: ik heb nooit gewonnen, en hoewel ik de complete officiële discografie bezit: ik doe niet aan best ofs. Maar in het tekstboekje staat vast een goed ronkende aankondiging, zoiets als: de eerste rapsong ooit. Nou ja, noem het een rapsong avant la lettre. Bob praat inderdaad meer dan dat hij zingt, en van een duidelijke verhouding tussen couplet en refrein lijkt ook al geen sprake. Het is meer een opeenstapeling van losse zinnen, gedachten, leuk bedachte oneliners, goed gevonden kreten. You don’t need a weatherman to know which way the wind blows. De anarchistische terroristische groep Weatherman ontleende er hun naam aan. Net als Radiohead op OK Computer één van de nummers Subterrenean Homesick Alien noemt. Ongetwijfeld een ode aan de meester van het vrije associeren, want zeg nou zelf: weet jij wat Subterrenean Homesick Blues betekent? Doesn’t matter: pik er een zin uit, kalk het op een muur, print het op een t-shirt, druk het op een sticker. Don’t follow leaders, watch the parking meters. Wat dat betreft was Bob zijn tijd ver vooruit: in het anno nu van de losse flodders, oneliners, bits en soundbites zou het niet misstaan. Bob was éénentwintigste eeuw avant la lettre.

PLAY: Subterrenean Homesick Blues (Bringin’ It All Back Home)

Dylan Dertig: 15 t/m 11

15.

Tien dingen die je moet weten over dit liedje. Eén. Het was de debuutsingle van The Byrds. Twee. De versie van Dylan was een stuk minder succesvol. Drie. Drugs speelden geen enkele rol in dit nummer. Zei Dylan ooit eens. Ik kon ze gebruiken of laten staan, maar zat er nooit aan vast. Vier. Het nummer werd geschreven tijdens een trip die Bob en een paar vrienden maakten vanuit New Orleans naar het westen. Vijf. Die reis was geinispieerd op het boek On the road van Jack Kerouac. Zes. Het nummer is deels gebaseerd op de vriendschap van Bob met Bruce Langhorn. Zeven. Die bezat een grote Turkse tamboerijn, volgens Bob zo groot als een wagenwiel. Acht. Een andere invloed is de film La Strada van Fellini. Negen. Jingle jangle haalde Bob van een oude plaat van Lord Buckley. Tien. Al het voorgaande is gebaseerd op Bobs biografie, geschreven door Howard Sounes. Eén ding weet ik zeker: het staat op de plaat Bringin’ it all back home, dat alleen in Nederland onder een andere titel uit kwam: Subterrenean Homesick Blues. Waarom weet ik dan weer niet.

PLAY: Mr. Tambourine Man (Live 1975, The Bootleg Series Vol. 5, The Rolling Thunder Revue)

14.

Een liefdesliedje voor Joan Baez. Althans, dat zou het kunnen zijn. Want nergens wordt haar naam genoemd, en nergens spat het glazuur van de regels af. De relatie tussen Bob en Joan is er één van vele onduidelijkheden. Even de feiten: Joan Baez was één van de grote folkzangers aan het begin van de jaren 60 en Bob was haar protegé. Ze gaf Bob een duwtje in de goede richting, dankzij haar kwam hij ook in de belangstelling te staan. Meer dan eens werden ze innig verstrengeld in elkaars armen gefotografeerd. Waar Joan was, daar was Bob. Totdat de situatie zich omkeerde. Bob stapte uit haar schaduw, en met elk jaar dat verstreek stond hij meer in de schijnwerpers, en Joan meer in de schaduw. Zongen ze tijdens haar concerten nog regelmatig samen, toen Bob het op eigen kracht kon, deed hij dat ook. Joan mocht mee, maar kwam vaak niet verder dan de hotelkamer. Kleine situatieschets: In de documentairefilm Dont Look Back zie je ze samen in beeld. Joan zit met een gitaar op schoot, Bob achter een typemachine. Terwijl Joan met haar betoverende klanken de kamer vult, zit Bob voorovergebogen over zijn typemachine, ondertussen de ene na de andere sigaret oprokend. Het lijkt alsof ze smacht om zijn aandacht. Hoor dan hoe mooi ik voor je zing. Maar Bob keurt haar geen blik waardig. Hij tikt onverstoorbaar door op de typemachine. Je ziet toch dat ik bezig ben. Een half jaar ervoor waren ze nog samen op tournee door Amerika. Joan stond in haar eigen voorprogramma en zong liedjes van Bob. Nadat ze Blowing in the wind had gespeeld vroeg ze het publiek of ze de schrijver van dit liedje wilden ontmoeten. Het publiek ging uit z’n dak toen Bob op het podium kwam – voor een hoger honorarium dan degene die hem had uitgenodigd ook nog eens. Toen ze later meeging op zijn tournee door Engeland verwachtte ze toch op z’n minst één keer gevraagd te worden om mee te zingen. Maar waar ze ook kwamen – hij stond alleen in de spotlights. Bij de tournee die volgde was ze niet meer gevraagd. Maar toen Bob door ziekte tot zijn hotelkamer veroordeeld was besloot ze toch om hem op te zoeken. Toen ze aan zijn kamerdeur stond, werd er opengedaan door een vrouw. Ze bleek Sara te heten en in het geheim al een tijdje een relatie met Bob te hebben. Joan droop teleurgesteld af, en ze zouden elkaar tot halverwege de jaren 70 niet meer zien. Bob trouwde met Sara, tot het huwelijk halverwege de jaren 70 op de klippen liep. De oorzaak laat zich raden.

PLAY: She Belongs To Me (Bringin’ It All Back Home)

13.

Schrijven is schrappen. Staat op mijn papiertje. Niet dat ik het niet uit mijn hoofd zou kunnen, maar soms is het goed zeker te weten wat je gaat zeggen. De drie zinnen die hierna volgden heb ik doorgestreept. Blijft de vraag over: wat staat er op de paperassen die Bob voor zich heeft liggen?

Avond aan avond is de aanblik hetzelfde: de rechterkant van het podium is zijn domein, het keyboard waar je en profil tegenaan kijkt. Aan de zijkant een microfoonstandaard, die standaard te laag staat. Hoewel meestal nog niet laag genoeg naar zijn zin, want zodra de eerste klanken ingezet worden, duwt Bob zijn zangversterking meestal nog een centimeter of wat omlaag. Wat meteen tot gevolg heeft dat hij zich, zeker voor zijn leeftijd, in allerlei interessante maar vooral onmogelijke kronkels en buigingen moet werken om te kunnen zingen en tegelijkertijd piano te kunnen spelen. Een cynicus zal zeggen dat hij beide toch al matig beheerst, laat staan tegelijkertijd. Met het klimmen der jaren worden de fysieke ongemakken er meestal niet minder op, maar ook de geheugenspier werkt niet altijd even feilloos meer. Als ik mijn hersens kraak kom ik maar tot één slotsom: die steel-guitar die daar, op hoge poten, pal tegen zijn keyboard aangeplakt staat, dient als luxe bijzettafeltje voor de papieren waarop, in Times New Roman lettertype 32, de setlist staat. Maar er liggen meerdere velletjes A4, wat doet vermoeden dat Bob goed naar Andre Hazes heeft gekeken. Want ja, hoe ging die ene regel in een van die 500 liedjes ook alweer. Hij knijpt zijn ogen samen, bedenkt dat hij weer z’n leesbril in de kleedkamer heeft laten liggen, perst zijn lippen tot een smalle streep en gooit er wat willekeurigs uit. Waarom heb ik dit lied ooit zoveel coupletten gegeven, lijkt hij te denken, terwijl hij een boze blik de zaal in werpt.

In zijn boek Kronieken, waar wat mij betreft best een paar blaadjes uitgescheurd hadden mogen worden, vertelt Bob over de totstandkoming van een liedje. ‘ Ik begon eraan in de vroege namiddag, tegen de tijd dat het ochtendnieuws begon te slijten, en ik had er de rest van de dag tot in de avond nodig om het af te maken. Het was alsof ik het liedje voor me zag verschijnen en ik het moest inhalen, alsof ik alle personages in het liedje zag en ervoor koos om mijn lot aan het hunne te verbinden. Ik hoorde het hele stuk in mijn hoofd, ritme, tempo, melodielijn, de hele mikmak. Ik zou dit liedje altijd terug kunnen halen. De wind zou het nooit uit m´n hoofd kunnen blazen. Op zo´n song komt er nergens een einde aan. Je schijnt een zaklantaarn op iemands gezicht en je bekijkt wat er te zien is. Maar voor mij is het verbazend eenvoudig, geen complicaties, alles pakt goed uit. Zolang de dingen die je ziet niet voorbijgaan in vlekken van licht en schaduw zit je goed. Liefde, angst, haat geluk – alles in onmiskenbare bewoordingen, duizend-en-één subtiele vertakkingen. De ene regel roept de andere op. zoals wanneer je linkerbeen een stap vooruit doet en je rechterbeen meetrekt.’

Zoals een schilder zijn werk bijpunt, bijschaaft, bijkleurt, voordat het een meesterwerk is, een weekje laat staan, er met hernieuwde blik tegenaan kijkt, zo blijft Bob schrijven en schrappen, tot in de studio aan toe. Sommige briljante liedjes zouden nooit het stadium bereiken waarop de meester ze goedkeurde – of andersom: de meester zag dat het goed was, maar de muzikale lijstenmakers zouden best nog een paar uurtjes hebben willen bijschaven.

Een vroege opname van dit liedje laat horen hoe Bob op driekwart van het liedje begint te mompelen, even zijn mond houdt, en dan weer verder zingt. Terwijl de band doorspeelt, de opname loopt, de muziek er goed op staat, verzint hij ter plekke een nieuwe tekst. Dat ene regeltje moet toch anders. Er moet toch nog een couplet bij. Zelfs in de uiteindelijke versie werd geknipt: ‘ When he built a fire on mainstreet’ is de officiële tekst in het vierde couplet, maar Bob zong het oorspronkelijk duidelijk anders en in de ik-vorm. Die zin werd ruw in tweeen geknipt, waardoor je nu hoort: When I spee-He built a fire on mainstreet. Schrijven is schrappen, en zo werden er 3 coupletten geschrapt in deze live-versie.

PLAY: Stuck Inside Of Mobile With The Memphis Blues Again (Live, Hard Rain)

12.

Cee-Lo Green zei het recht voor z’n raap, net als Lily Allen. En ook Danny Paladero heeft een hit omdat er fuck you in zit. Er is een handig tooltje op bobdylan.com waarbij je een willekeurig woord kan intikken, en dan rolt er uit de database een overzicht van alle liedjes waar dat woord in voorkomt. Ik toets in: fuck. Drie keer raden hoe vaak Bob dat woord heeft gebruikt in zijn liedjes. Nul. Nooit. En toch is dit misschien wel de eerste muzikale middelvinger ooit. 1965, het jaar dat in Amerika bekend staat als het jaar dat Dylan elektrisch ging. Het eerste keerpunt in het leven van Dylan. Niet alleen muzikaal verandert hij van koers: hij trekt weg uit New York, de stad waar hij alles aan te danken had. Zijn doorbraak, de liefde, inspiratie, vrienden en een dak boven zijn hoofd. Maar de eerste liefde maakt plaats voor een ander, inspiratie vind hij bij The Beatles en dankzij zijn succes kan hij van het verdiende geld een eigen huis kopen. Woodstock wordt de nieuwe standplaats, Sara is zijn eerste vrouw en net als The Beatles wil hij een gitaar met een snoertje.

Een paar dagen nadat Bob zijn gitaar heeft ingeplugd op het Newport Folk Festival staat hij in de studio. Het boe-geroep moet nog na-echoen. De woede op het gezicht van Pete Seeger, die de geluidskabels in tweeen had gespleten als hij een bijl had gehad, het staat hem nog helder voor de geest. Is dit het afscheid aan Greenwich Village, het deel van New York waar hij alles aan te danken had, maar waar hij uiteindelijk toch van vervreemd was? Het vaarwel aan de vrienden, die hem ineens de rug toekeerden omdat hij niet meer één van hen was?

Als het later dat jaar uitkomt op single, is iedereen nog maar net bekomen van Like A Rolling Stone. Dit klinkt liefelijker. Bijna Beatlelesque. Je zou het mee willen zingen, ware het niet dat er geen refrein in zit. Onder het muzikale vernis zit een beerput die Dylan bijna vredig de speakers uit knalt. ´Ik zou willen dat ik in jouw schoenen stond, en jij in de mijne. Dan zou je zien hoe verschrikkelijk je bent.´ Een grotere fuck you is er niet.

PLAY: Positively 4th Street (Single)

11.

Ze was nog getrouwd die dag, toen ze Bob tegenkwam in New York. Zij reed rond in haar MG sportautootje, Bob zwierf zoals altijd door de straten van de stad. Hij was inmiddels een bekende zanger, een paar kortstondige relaties lagen achter hem. Zij was fotomodel, en getrouwd, maar haar huwelijk stelde niet veel meer voor. Haar man had gezegd: ik kan niet getrouwd zijn met iemand die Shirley heet. En dus stelde ze zich voor als Sara. Sara Lownds, geboren Shirley Nozinsky. Een mooie vrouw, met opvallende bruine ogen. Ze keken een beetje triest, maar dat zorgde juist voor extra aantrekkingskracht. Bij de eerste ontmoeting wist Bob: met haar ga ik trouwen. Het huwelijk met haar man Hans kraakte. Hij was 25 jaar ouder, fotograaf, en zo hadden ze elkaar ook leren kennen: als jong model kreeg hij Sara voor zijn lens. Heinz Ludwig Lowenstein, zeg maar Hans. Ze hadden sinds kort samen een kind: Maria. Maar hij was druk, en thuiszitten was niks voor haar. Hans vond dat ze wel een sportwagentje verdiende, als goedmakertje voor zijn drukke bestaan. En zo reed ze door New York, vooral Greenwich Village trok haar aan. Tot ze op een dag wegreed en nooit meer terugkwam. Ze had een andere man ontmoet. Met hem ging ze trouwen. Met Robert, zeg maar Bob. Samen met Maria trok ze bij hem in. Hij had een kamer in het Chelsea hotel gehuurd, groot genoeg voor hun drieën, en een piano kon er ook nog bij. Hans vond het maar niks, haar relatie met die Zimmerman, zoals hij Bob noemde. Hij wil niet dat zijn dochter door Bob werd opgevoed, en is van plan een rechtszaak aan te spannen. Zijn advocaat vertelt hem dat hij weinig kans heeft te winnen. Hans besluit het erbij te laten, en ziet zijn Sara nooit meer. Hoewel ze nu officieel een stel zijn, wil Bob het niet aan de grote klok hangen. Alleen zijn manager en een getuige voor Sara zijn bij de ceremonie die in 1965 wordt voltrokken op Mineola, Long Island. Zelfs sommige vrienden weten niet dat Bob nu getrouwd is. Op haar beurt weet Sara weer niks van de vrienden van Bob. Ze zijn samen, de rest van de wereld bestaat niet. Zo leven ze lang en gelukkig samen, tot de jaren 70 aanbreken. Bob treedt dan al jaren niet meer op, maar besluit dat het tijd wordt voor een nieuwe tournee. Het jachtige artiestenbestaan keert terug, het leven waar Sara niks van weet. Of wil ze het niet weten? Wat gebeurt er allemaal in die kleedkamers? En al die nachten dat Bob alleen op z’n hotelkamer zit? In het Chelsea hotel had hij nog een prachtige ode aan haar geschreven. Sad Eyed Lady Of The Lowlands. En nu stonden haar ogen weer zo triest, omdat ze al het leed moesten verwerken van wat ze in zijn ogen had gezien – en doorzien. Het huwelijk liep op de klippen. Of toch niet. In een ultieme poging haar weer voor zich te winnen, schreef hij een lied voor haar. Hoe anders kon hij het zeggen dan met muziek. Hun gesprekken waren ruzies geworden, futiliteiten groeiden uit tot kloven van onbegrip. Terug in New York schreef hij het voor haar, Sara. En ook zij was terug in New York. Die zomer had ze doorgebracht zonder Bob, en kwam een kijkje nemen – te zien of er nog iets te redden viel. En aan de andere kant van het glas zingt iemand over vakanties toen de kinderen nog klein waren en weet je nog – die eerste keer samen in Portugal. Hij vraagt vergeving voor zijn begane zonden en zingt: Sara, don’t ever leave me, don’t ever go. Ze was er helemaal door van slag. Het was een keerpunt. Ze kwamen weer bij elkaar. Bob en Sara.

PLAY: Sara (Desire)

Dylan Dertig: 20 t/m 15

20.

Er zijn vele manieren om de liefde te verklaren, en minstens zo veel mogelijkheden om diezelfde liefde weer te beëindigen. Zo stormachtig als het begon, is het vaak ook weer aan het eind. Zo kabbelend als het tussendoor was, zo vaak eindigt het met een knal. Maar erger nog dan tierend zijn spullen op straat gooien, scheldend haar de deur uitwerken of met slaande ruzie alle schepen achter je verbranden is het vertrek met stille trom. De volgende ochtend een briefje op haar nachtkastje. Schat, ik ben er niet meer, maar maak je niet druk, het is ok.

Terwijl jij lag te slapen is hij er vandoor gegaan. Je springt uit bed, loopt naar het raam, daar zie je nog zijn spoor, een glimp van zijn gaan. Maar het is al te laat, hij is al uit je leven gelopen. Je zakt in elkaar van verdriet, begrijpt het niet, wilt hem terug, telefoneert, schrijft, probeert hem over te halen het nog één keer te proberen. Maar alles wat hij van zich laat horen is een smsje met daarin: het is niet dat je me iets hebt misdaan, alles wat je deed is mijn tijd verdoen.

Temidden van alle liefdesliedjes, tussen suikerzoet en hartverscheurend, is dit het ultieme liefdeslied. Het loflied der anti-liefde.

PLAY: Don’t Think Twice, It’s Alright (Live, Before The Flood)

19.

Meisjes. Ze maken u kapot, meneer. Zeg dat Van ’t Groenewoud het gezegd heeft. Ach ja, meisjes. En vrouwen ook. Vrouwen komen van Venus, en mannen niet. Ik ben geen vrouw, maar ik heb wel geprobeerd een voorstelling van mezelf als vrouw te maken. Of ik dan ook in katzwijm zou zijn gevallen. Net als al die anderen, soms over de 50, die nog steeds bijkans flauwvallen bij het zien van het eerste plukje haar. Of nee, die blauwe ogen schijnen het te doen. Ik heb ze wel eens gegoogled, daar ben je immers man voor die zich verdiept in het vrouw-zijn. Felblauw. Als de Middelandse Zee. En bovendien: minder blauw worden ze niet, hoeveel rimpels er ook omheen zitten. Ja, ergens snap ik het wel. Een interessante man. Maar mooi? Ik scroll nog even verder en zie een foto van midden jaren 60. Woeste krullen, duidelijk ongekamd, puntschoenen, breedgeschouderd, enigszins schonkig, een bleek bekkie. Niet onknap. Vind ik dan als vrouw. Maar misschien is het wel de roem. Het geld. Rijke mannen hoeven niet knap te zijn om een blonde schone aan de haak te slaan. Status is voldoende. Denk ik dan als jaloerse man. En je hebt ze nooit voor jezelf, zegt de bezitterige vrouw die in me opstaat. Concurrentie all over the planet. Joan Baez, beetje een gillende keukenmeid, zeker in die tijd, Suze Rotolo, een goeie keus en Sara Lownds, daar zijn niet zoveel foto’s van. Ach ja. Bob en de vrouwen. Een oneindig boek met talloze hoofdstukken. Ik weet mijn verbazing nog toen ergens begin 2000 het bericht naar buiten kwam dat Bob hertrouwt was. En inmiddels ook weer was gescheiden. En dat alles buiten het zicht van camera’s en microfoons. Over de liefde leer je meer als je zijn teksten hoort. De man die verlaten werd, de liefde terugwon, de liefde verspeelde, de liefde van zijn leven voor altijd zou kwijtraken. I’m sick of love. I wish I’d never met you. Als ik vrouw was geweest, had ik je best eens willen tegenkomen. Ondertussen vraag ik me af wie toch die Edie Sedgwick is, over wie dit nummer gaat. Ik google een foto van haar. Ik blijf tenslotte een man.

PLAY: Just Like A Woman (Blonde On Blonde)

18.

Het begin van het einde als folkie. Dylan hangt zijn akoestische gitaar aan de wilgen. Om zijn schouders hangt een leren jasje. Hij rookt onophoudelijk, slaapt bijna niet. Hoort gillende meisjes onder zijn hotelraam. Werkt tot in de late uurtjes verbeten door op zijn tiepmachien. Kweekt wallen tot op z’n enkels. Wordt onderworpen aan een slopend tourschema. Heeft altijd wel vrienden om zich heen. Of mensen die dat zouden willen zijn. Kaffert een journalist uit die een slechte vraag stelt. Heeft ongeknipte nagels. Een steeds groter wordende bos met krullen. Kijkt niet altijd even helder uit z’n ogen.
Het hoogtepunt van de roem dient zich aan. 1965. Highway 61 Revisited. Een complete band in de studio, die pas na zonsondergang hun instrumenten de sporen geeft. Z’n teksten lijken ingevingen van iemand in hoger sferen. Geen protestliedjes meer. Eerder associaties. Over ene Mister Jones. Niemand lijkt precies te weten wie dat is. Het bracht de Counting Crows op het idee een nummer over deze mysterieuze man te maken. Bindevoet & Henkes, het vertaalduo dat elk liedje van Bob onder de Nederlandse loep nam, noemden het: Ballade van een vaag figuur. In z’n eigen woorden: Ballad of a thin man.

PLAY: Ballad Of A Thin Man (Highway 61 Revisited)

17.

Nee. Dit liedje heeft niks te maken met blowen, al werd het geschreven in een tijd dat je soms door de marihuanadampen de bomen niet meer recht kon zien. En het voornamelijk door linksdraaiende yoghurtjongeren op teenslippers werd meegezongen. Over vrede en vrijheid. En dus gemakkelijk mee te zingen met je ban de bom button op je spijkerjasje.

Zoveel als dit liedje kleeft aan de jaren 60, zo actueel zal het zijn in 2060. Hoe lang moet een volk bestaan voordat het in vrijheid kan leven? Hoe vaak sluit men nog de ogen en doet alsof ze het niet ziet? Hoe vaak moet je de oren nog spitsen voordat je iemand hoort huilen? Hoeveel bommen moeten er nog vallen voordat je ze voor eeuwig vernietigt?

Omdat over 100 jaar die vragen nog steeds gesteld moeten worden, en het antwoord nog steeds niet gegeven zal zijn. The answer my friend, is blowin’ in the wind.

PLAY: Blowin’ In The Wind (Live Version, B-side Things Have Changed)

16.

Voorbeeld en folkheld Woody Guthrie. Die zei ooit eens: een echte artiest kan een liedje maken over elke willekeurige kop uit de krant. Zoals Bob later deed in Hurricane, het nummer over de bokser Rubin Carter en, nog veel belangrijker, over zijn oneerlijke proces en onterechte opsluiting in de gevangenis. Zo opende Dylan op een dag de krant en las het verhaal over Hattie Carroll. Een dienstmeid van over de 50, moeder van 10 koters, die werkte voor een karig loontje in één of andere hotelbar. En last but not least was ze ook nog eens zwart.

William Zanzinger was een rijkeluiszoon van 24 die nog meer geld had vergaard dankzij het bezit van een tabaksplantage van 200 hectare. Hield regelmatig feestjes voor zichzelf en zijn rijke vrienden. En, o ja, hij was by the way blank. Op een avond kwam hij, al dronken, de bar binnen waar zij, Hattie Carroll, die avond werkzaam was. Hij maakte luidkeels en hardhandig duidelijk dat hij zin had in nog een drankje. De dienstmeisjes noemde hij lui en black bitches. Toen een besteld drankje niet snel genoeg naar zijn zin werd geserveerd, sloeg hij de dienstdoende vrouw op haar rug. Hard. Hattie Carroll wankelde naar de keuken, waar ze in elkaar stortte. Ze kon nog net uitbrengen dat ze nog meer vernedering niet kon verdragen. Ze werd snel naar het ziekenhuis gebracht, maar het was al te laat. Enkele uren later bezweek ze aan stress, een te hoge bloeddruk, andere lichamelijke ongemakken en niet te vergeten de klap die William Zanzinger haar had uitgedeeld.

Zanzinger moest zich voor de rechter verantwoorden, maar verklaarde zich niets meer te herinneren van het hele voorval en kwam er vanaf met een half jaartje cel. Uiteindelijk werd ‘ie vanwege goed gedrag vervroegd vrijgelaten. Maar dankzij the lonesome death of Hattie Carroll werd dit verhaal meer dan een voetnoot in de racistische geschiedenis van Amerika. Al beweerde William zelf dat het hele liedje bij elkaar gelogen was, dat de aanklacht hem niks deed en bovenal – als hij Bob Dylan ooit zou tegenkomen, dat hij dan opnieuw een klap zou verkopen. Maar dan aan Bob. William Zanzinger stierf twee jaar geleden, ontmoette Bob Dylan nooit en die laatste bleef het spelen, ook na the lonesome death of William Zanzinger.

PLAY: The Lonesome Death Of Hattie Carroll (Live 1975, The Bootleg Series Vol. 5, The Rolling Thunder Revue)

Dylan Dertig: 26 t/m 21

25.

Het is 1999 als Denzel Washington mij vochtige ogen bezorgt in The Hurricane. Normaal blijf ik stoïcijns onder een gemiddelde Hollywoodproductie, zelfs een happy end brengt mij niet van m’n stuk. Noem het de strikte scheiding in het hoofd tussen feiten en fictie die me apathisch houdt voor alles wat door scriptschrijvers is bedacht, want hoe briljant ook, het is slechts een verhaal op papier. Maar presenteer vooraf op het witte doek de mededeling ‘based on a true story,’ en ik huiver bij Van God Los, ben uren van slag na Schindler’s List en pink een traantje weg bij The Hurricane.

Het verhaal over Rubin Carter, een succesvol bokser in het Amerika van de jaren 60. Het getal van zijn overwinningen is groter dan de knock outs die zijn tegenstanders hem toebrachten. Er is echter één tegenslag die groter is dan alle voorgaande. Eéntje die hem knock out slaat, bijna voorgoed knakt. Een typisch verhaal van wrong time, wrong place.

Als Rubin, bijgenaamd The Hurricane, Carter na één van zijn overwinningen zijn feestvreugde met wat vrienden gaat beproeven in de stad, vallen ze als kleurlingen in de door blanke bevolkte bars nogal op. Het is het zuiden van Amerika, we schrijven de racistische jaren 60. Wrong time, wrong place. Maar Rubin heeft geld, en voor geld valt er altijd te praten. Als het tegen sluitingstijd loopt en het gezelschap een paar biertjes verder is, besluiten ze dat het mooi is geweest voor die avond. Ze zijn nog niet weg of er stapt nog een persoon het café binnen. Een overvaller richt zijn pistool op de eigenaar en eist de inhoud van de kassa op. De caféhouder bedenkt zich geen moment, en pakt van onder de toonbank een pistool. Schiet. Van beide kanten wordt er gevuurd, een bloederig tafereel is het gevolg. De gevluchte bezoekers lichtten de politie in, die met gillende sirenes in de donkere nacht stand van zaken komt opnemen. Ooggetuigen verklaren twee zwarten te hebben gezien op de plek des onheils. Als even verderop een auto wordt aangehouden met daarin Rubin Carter is het zwaard van Damocles al gevallen: hij moet het gedaan hebben, hoe komt hij anders aan zoveel geld? Het helpt ook al niet mee dat hij bokser is, en sowieso: wat moest hij als zwarte in dat café? Wat volgt is een historie waarvan de uitkomst al vaststaat: voor een volledig blanke jury worden aannames, halve waarheden en hele leugens door de aanklager aan elkaar geregen, en het oordeel luidt: schuldig, levenslang.

Het is 1974 als Bob Dylan het boek The Sixteenth Round leest. Het boek dat Rubin Carter in de gevangenis schrijft. Waarin de bewijzen die hem vrijpleiten zich opstapelen. Hij beschouwt zichzelf als slachtoffer van corrupte, blanke agenten die erop uit zijn hem ten val te brengen. Ok, hij was vroeger misschien geen lieverdje en hij had de nodige ruzies met de cops van het corps, maar deze keer staat zijn onschuld vast, schrijft hij zelf. Bob leest het, en gelooft hem. Zoekt hem op in de gevangenis, en belooft een lied voor hem te schrijven. In 8 minuten vertelt hij het verhaal van Rubin Carter, alias The Hurricane.

Het is eind 2010 als ik, zoals elk jaar, in het eindejaarsoverzicht van Radio 2, tussen de 2000 titels speur naar die ene naam. Bob Dylan. Zijn hoogste notering vind je traditiegetrouw in de onderste regionen van de laatste honderd met het stempel der eeuwigheidswaarde bevorderde platen. Een liedje dat hij al ruim 25 jaar niet meer speelt, omdat de geschiedenis de werkelijkheid inhaalde. Pas in 1985, negen jaar nadat het onderzoek opnieuw werd geopend en met dezelfde vaart weer werd gesloten, komt Rubin Carter vrij. Al die tijd zat hij onschuldig vast. Racisme en rancune van één politieman stonden aan de basis van een dominospel waarbij alle steentjes één voor één omvielen en de bokser knock-out sloegen. Rubin Carter. The Hurricane.

PLAY: Hurricane (Desire)

24.

Ik heb het me vaak afgevraagd. Me geprobeerd er een voorstelling van te maken. Geprobeerd me in te leven in dat ene moment. Dat moment dat onherroepelijk komen gaat. Niemand heeft immers het eeuwige leven, en elke dag is er één dichter bij de dood. John Lennon, George Harrison, Johnny Cash, Michael Jackson, Solomon Burke. Zij gingen je voor. En elke keer dacht ik: misschien ben jij wel de volgende die gaat.

Ik heb besloten alle kranten van die dag te kopen. Alle journaals te kijken. Naar jouw naam te speuren. Tegelijkertijd ben ik bang dat je wordt weggestopt op pagina 6, in de rechterhoek van het buitenland nieuws, en de nieuwslezer van dienst even verschrikt opkijkt van zijn autocue terwijl ik in zijn ogen de gedachten lees: maar die was toch allang dood?

Abraham heb je al gezien. Je mag allang met pensioen. Had eigenlijk allang dood moeten zijn. Waarschijnlijk ben je net op tijd gestopt met het nemen van sfeerverhogende middelen, waardoor je naam niet voor eeuwig in één adem zou worden genoemd met Janis Joplin en Jimi Hendrix en Kurt Cobain. Jij bleef al die tijd doorbuffelen, in volle vaart afgaan op het onomkeerbare lot: dat van de dood. En ik verbaas me over de groeven in je gezicht, vraag me af hoe diep die nog kunnen worden, en je stem… hoeveel octaven die nog zakken kan, voordat hij zijn laatste kraak uitstoot en uitmondt in een eeuwige stilte.

Er is één troost. Eén troost voor jou. Voor mij en allen die met ons zijn: it’s not dark yet. But it’s getting there.

PLAY: Not Dark Yet (Time Out Of Mind)

23.

Al jaren wordt er over gedebatteerd, zijn er voors en tegens, menen de puristen dat een muzikant per definitie uitgesloten van deelname zou moeten zijn, en beweren de voorstanders dat de zeggingskracht probleemloos overeind blijft als je de muziek weglaat. Als er één ultiem argument zou moeten bestaan om Bob Dylan ooit de Nobelprijs voor de Literatuur ten deel te laten vallen, dan is het dit: Love Minus Zero/No Limit. De vijf woorden die de titel vormen, zijn de aankondiging van een literair meesterwerk; pure poëzie. Alleen die eerste zin al; zou zo op een trouwkaart kunnen. Niet geheel toevallig was het ook de tekst die op mijn huwelijksaankondiging stond. En de rest van de tekst. Eh… ik heb er geen woorden voor. Dus laat ik mijn mond maar houden, en de woorden voor zichzelf laten spreken. Daar is alles mee gezegd.

My love she speaks like silence
Without ideals or violence
She doesn’t have to say she’s faithful
Yet she’s true, like ice, like fire
People carry roses
Make promises by the hours
My love, she laughs like the flowers
Valentines can’t buy her

In the dime stores and bus stations
People talk of situations
Read books, repeat quotations
Draw conclusions on the wall
Some speak of the future
My love, she speaks softly
She knows there’s no success like failure
And that failure’s no success at all

The cloak and dagger dangles
Madams light the candles
In ceremonies of the horsemen
Even the pawn must hold a grudge
Statues made of matchsticks
Crumble into one another
My love winks, she doesn’t bother
She knows too much to argue of to judge

The bridge at midnight trembles
The country doctor rambles
Bankers’ nieces seek perfection
Expecting all the gifts that wise men bring
The wind howls like a hammer
The night blows cold and rainy
My love, she’s like some raven
At my window with a broken wing

PLAY: Love Minus Zero/No Limit (Bringin’ It All Back Home)

22.

We zijn meesters geworden in het voeren van oorlog. Want we weten: zonder oorlog geen vrede, en zolang we streven naar vrede zal er oorlog zijn. Vrede is niets meer dan een tijdelijke onderbreking van oorlog, brede bestaat niet zonder oorlog vooraf. En terwijl we diep in ons hart verlangen naar vrede, maken we ruzie hoe die te bewerkstelligen. Onder gelijkgestemden is het niet zo moeilijk de vrede te bewaren, maar probeer maar eens een oorlog uit te stellen met je opponent. Iedereen heeft immers het gelijk aan zijn zijde. En we waren toch heel goed bezig in Afghanistan? Irak. Joegoslavië. Libanon. Vietnam. We’re gonna smoke them out of their holes, maar ondertussen is er nog steeds geen witte rook.

Zolang deze wereld bestaat zal vrede ver te zoeken zijn. De oudste hobby op aarde is immers ruzie maken. Eenmaal verdreven uit de eeuwige vrede van de hof, sloegen we buiten de poort elkaar de hersens in. Nu bouwen we raketschilden en leveren we wapens aan dictators en despoten. We dreigen met oorlog tegen naties die atoombommen maken en hertellen ondertussen ons eigen nucleaire wapenarsenaal. Vrede brengen we met geweld. Het zal zo zijn, zoals het altijd al is geweest. Wie keert nog de andere wang toe, als je eenmaal een klap hebt gekregen. Een betere wereld begint bij jezelf, roepen de geitewollensokken. Ondertussen wordt de achterban met een kluitje het riet ingestuurd; een vredige theorie op papier is deze keer echt geen oorlog in de praktijk, bezweert men.

Nero, Napoleon, Alexander de Grote, Stalin, Pol Pot, Sadam Hoessein, Charles Taylor, Radko Mladic, George W. Bush. Noem ze allemaal en je noemt er geen. Noem er geen en je noemt ze allemaal.

PLAY: Masters Of War (The Freewheelin’ Bob Dylan)

21.

De tijden zijn veranderd. Elke generatie klaagt over de vorige en probeert zich aan het knellende tijdsgewricht te ontworstelen. Kun je je nu nog voorstellen dat ouders van toen zich verafschuwden over die afschuwelijk losbandige Beatles met die lange vrouwenharen of de lichamelijke obsceniteiten van Elvis Presley, nota bene in lederen jas gehuld!

Strikt genomen is de wereld pas echt veranderd in de jaren 50. Als je het tenminste over de wereld van de popmuziek hebt. Die bestond daarvoor niet. Een voorzichtige aanzet tot blues, jazz of bigband daargelaten was klassieke muziek de maatstaf in menig huiskamer. De generatie die zich al had moeten verzoenen met vliegtuigen en automobielen werd ineens overspoeld met gitaren, in sommige gevallen ook nog elektrisch! Zingen was niet langer in aria’s maar van love me do, please love me too.

De tijden zijn veranderd. Mensen van de jongste generatie hebben al nooit van ‘m gehoord, mensen van mijn generatie kennen ‘m van naam maar denken dattie al een jaar of wat dood is. Ik was ook nog maar net uit mijn eurohousehoekje gekropen toen ik de wijde wereld van de popmuziek inliep. Mijn drumleraar nam op een cassettebandje elke week een nieuw liedje op. 2 Unlimited werd gewist voor Ray Charles. Twenty 4 Seven moest plaats maken voor Dr John. Ik had het gevoel dat ik de tijd moest inhalen. Er was al zoveel goeds gedaan wat ik allemaal gemist had. Omdat ik had liggen slapen, of omdat ik nog niet eens geboren was. De Rolling Stones en The Beatles, want ik was van de generatie die vond dat je ze allebei goed mocht vinden, John Coltrane en Miles Davis, en dan waren er ook nog een hele rits soulhelden waarvan de helft allang onder de groene zoden lag, en de jaren 70 had ook mooie dingen voortgebracht. Ik kwam handen, voeten en oren tekort. En zakgeld ook vooral. Ondertussen kwam mijn drumleraar om de hoek, hij had net de nieuwste van Bob Dylan gekocht bij de plaatselijke platenwinkel. Bob Dylan, die stond ook nog op mijn lijstje van nog te ontdekken artiesten. Ik kende Blowin’ In The Wind, en dat was het dan wel zo’n beetje. Kun je blindelings kopen, zei hij.

En dus kocht ik Time Out Of Mind. Drie jaar later ging ik naar een eerste concert in de rij van velen die nog zouden volgen. Even over de grens, bij Oberhausen. Ik huiver van spanning, en als de lichten doven sta ik op mijn tenen om een eerste glimp op te vangen. Een man in wit kostuum, grijs krullend haar en puntige schoenen komt een beetje mal lopend het podium op. Ik zie Bob Dylan voor het eerst. Als ik na een nummer of wat enigszins gewend ben aan het ontmoeten van mijn nieuwe held, kijk ik eens om mij heen om te zien wie er nog meer met mij zijn. Ik verwacht mannen met baarden in spijkerjasjes. Grijzende slapen en een beetje een buik. Vrouwen die zich speciaal hebben mooi gemaakt voor vanavond, in een fleurige blouse en een iets te rode lippenstift, een beetje een kin en kraaienpoten. Ik zie ze. Maar tot mijn verbazing zie ik ook mensen van mijn leeftijd. En jonger. Een puberzoon die met z’n vader mee is. Drie vrienden van rond de twintig die aandachtig luisteren terwijl ze bier uit een plastic beker drinken. Jongens en meisjes op sneakers. De tijden zijn veranderd. En toch ook weer niet.

PLAY: The Times They Are A-Changin’ (Live, MTV Unplugged)

Dylan Dertig: 30 t/m 26

30.

Ik ben een Bobcat. Een Bobcat, voor de duidelijkheid, is naast een type graafmachine ook de aanduiding voor een Bob Dylan fan. Maar Bob Dylan fans bestaan niet, hoewel je misschien als je met een lantaarntje zoekt die ene iemand vindt, die dagelijks in een Bob Dylan shirt naar school fietst, op de Ipod uiteraard Bob Dylan, eenmaal op school aangekomen haar met Bob Dylan kaftpapier overtrokken boeken uit haar Bob Dylan rugzak haalt, het Bob Dylan potlood nog eventjes een extra keer aanscherpt met de Bob Dylan puntenslijper, terwijl ze in haar Bob Dylan agenda ziet dat het vandaag een vrije dag is, waarna ze weer naar huis fietst om onder haar Bob Dylan dekbed nog een paar verloren uurtjes nachtrust in te halen, natuurlijk pas nadat ze de Bob Dylan poster op de muur een kusje heeft gegeven en vervolgens in slaap valt, dromend over haar idool, Bob Dylan. Dat noem ik een Bob Dylan fan. Ik ben dus een Bobcat. Hoewel ik moet toegeven dat ik een paar Bob Dylan t-shirts heb. En een Bob Dylan plakboek bij hou. Maar daar heb ik al heel lang niet meer met schaar en pritt-stift aan gewerkt. En ik luister heus wel eens naar iets anders op m’n Ipod. Jimi Hendrix bijvoorbeeld. All Along The Watchtower. Zoals hij dat speelt, met die snerpende gitaren, beukende drums, haast apocalyptisch, oud-testamentisch, ik vind ‘m stiekem beter dan het origineel. Maar ik ben dan ook een waardeloze Bob Dylan fan.

PLAY: All Along The Watchtower (Liefst de versie zoals Dylan ’m sinds een jaar en dag speelt, gebaseerd op de versie van Hendrix, maar aangezien die nooit officieel is uitgebracht, dan toch maar de cover van Jimi. Op twee de live-versie van Bob Dylan & The Band op Before The Blood, op drie het origineel van John Wesley Harding.)

29.

De geschiedenis zal zich altijd blijven herhalen: we leren maar weinig van vroeger. Vroeger was alles beter. Of op z’n minst goed. Alle vlekken en rimpels strijken we glad, we vochten immers voor een hoger ideaal, dan telt alleen het resultaat. Of had je soms gewild dat die arme mensen nog steeds in de Middeleeuwen leefden? Goed nieuws moet gedeeld worden, desnoods met harde hand verspreid. En zo trokken we met fakkels en zwaarden oostwaarts om de boodschap van heil te brengen. En toen onze religie uitdoofde maakte ze plaats voor democratie. Of had je soms gewild dat die onwetende mensen nog steeds onder de tiran leefden? Vrijheid moet gedeeld worden, desnoods met tanks verspreid. En zo trokken we met bommen en granaten opnieuw oostwaarts om de boodschap van vrede te brengen.

Waarom weten we alles beter? Waarom willen wij de baas zijn? Waarom trekken wij ten strijde terwijl niemand ons aanvalt? Waarom helpen we de wereld de vernieling in en noemen het dan opbouwwerkzaamheden?

Omdat we denken dat we God zijn. May God bless us and America.

PAY: With God On Our Side (Live, MTV Unplugged)

28.

Hee. Knocking On Heavens Door. Die is toch van Guns ‘n Roses? Ja, maar dit is de versie van die eh… hoe heet ‘ie ook alweer. Bob nogiets. Dylan bedoel je? Ja. Hoe lang is die nou al dood? Geen idee, jaar of 10 toch al zeker wel dacht ik. Waardeloze versie is dit ook hè. Zonder die gillende gitaarsolo op het end. En zo kort ook. Twee minuut nog wat, baf, weg. Ja, net zoals I’ll Be Your Baby Tonight. Oh ja, van UB40. Ja, en laatst nog, met dat liedje van Adele. Schijnt ‘ie ook een versie van te hebben gemaakt. Meen je dat nou? Die van Adele is toch prima? Uitstekend zelfs, dat mens kan tenminste wel zingen. Je bedoelt dat Bob Dylan dat liedje heeft gezongen? Ja, met z’n schorre stem. Vals jongen, vals. Dat meen je toch niet. Zo’n liedje, daar moet je toch met je tengels vanaf blijven. Maar ja, dat was al met Mr Tambourine Man, moest ‘ie ook zo nodig met z’n gitaar zelf nog eens een keertje laten horen dat hij dat liedje ook kende. Niet eens geld voor een fatsoenlijke band erbij. Ja, en heeft ‘ie een band, gaan ze zo zijig oeh-hoe-hoe-hoe-hoe doen. Hij vergeet ook helemaal ‘just like so many times before.’ Het is dat Axl nog niet dood is, anders zou hij zich ook omdraaien in z’n graf. Nee, doe mij maar die van Guns ’n Roses. Er gaat toch niks boven het origineel hè.

PLAY: Knockin’ On Heaven’s Door (Pat Garret & Billy The Kid)

27.

God is dood, aldus Nietschze. Geloof het of niet; tweeduizend jaar geleden werd God mens, twintig eeuwen verder is de mens God geworden. God werd verwezen naar de eeuwige jachtvelden, we kunnen het nu zelf wel. Bedankt Heer voor alles wat U gedaan hebt, we hebben gelachen om die gekke beestjes onderin de oceaan, die overstromingen en aardbevingen waren wel iets minder tof, maar even goeie vrienden. Punt is alleen: we vinden dat we nu zo’n beetje wel op eigen benen kunnen staan. Ok, we hebben heel wat eeuwen maar wat lopen klooien in ons berenvel, maar zeg zelf; de uitvinding van het wiel was een goeie stap voorwaarts. En helemaal zelf bedacht hè. Hadden we U niet bij nodig. Vervolgens hebben we wat hiaatjes opgelost, hebben we her en der wat dijkjes aangelegd, en elektriciteit niet te vergeten. En nu hebben we een world wide web met google als oplossing voor al onze levensvragen, dus eh… Toedeledoki!

Het is 1978. Tijdens een concert in San Diego wordt er een crucifix op het podium gegooid. Avond aan avond zijn er voorwerpen die richting de hoofdpersoon worden geworpen. Bloemen, brieven. Soms dwarrelen ze neer voor zijn voeten, schopt hij het weg, grist een roadie het mee, blijft het liggen. Deze keer is anders. Hij raapt het op. Een week later heeft hij het om tijdens een concert.

Op een avond in de kroeg zak ik door met iemand die alle platen van Bob Dylan heeft. Ik sta aan het begin van de ontdekkingsreis en stel triviale vragen. Wat is zijn beste plaat? Die is er niet begrijp ik, want elke dag draagt een andere stemming met zich mee en daarmee een andere voorkeur. Wel hoor ik dat ik de jaren 80 zoveel mogelijk moet mijden. Die gospelplaten bedoel je? Nee, die zijn hartstikke goed, wat de popencyclopediën en naslagwerken ook beweren. Tegenover me zit een gezworen atheist, en nu zegt hij dit. Ik weet van de ophef die Slow Train Coming veroorzaakte. Dat werd alleen maar erger met Saved, een plaat die tijdens de pauze van de EO Jongerendag niet zou misklinken uit de speakers. Ik bestel nog een biertje. Andere vraag dan maar. Wat vind jij zijn beste liedje? Hij kijkt me aan en zegt: raad maar. Ik begin te malen. Er is natuurlijk een verschil tussen het meest relevante liedje en wat je persoonlijk het mooist vindt. Begin jaren 60 is heel relevant, maar reken ik niet tot persoonlijke favoriet. Ik ben ingestapt bij Time Out Of Mind, in 1997 gekroond tot album van het jaar bij de Grammys, maar da’s meer een heel album dan één afzonderlijk liedje. Toch maar Like A Rolling Stone? Nee, te standaard voor een fanaticus. Tangled Up In Blue dan maar? Of toch iets onbekenders, zoals Man In The Long Black Coat? Of nee, wacht, die outtake met Mark Knopfler, hoe heet ie ook alweer… Blind Willie McTell! Mis mis mis, zegt hij. Dat kan er maar één zijn: het gaat over Het Leven, zijn leven, ons aardse bestaan en alles daarboven, de levensloop van geboren worden en doodgaan en weer verder leven, de ommekeer, het Er Is Meer. Nee, niet prekerig, maar eerlijk en oprecht. Zonder God te noemen, maar Hem niet doodverklaren. En trouwens, het publiek klapt weer uit alle macht bij het horen van de eerste tonen van dit lied. En dat terwijl ze destijds met spandoeken rondliepen met daarop ‘Jesus loves your old songs too.’ Ik kan het alleen maar met hem eens zijn. Het moet wel. Het is Every Grain Of Sand.

PLAY: Every Grain Of Sand (Shot Of Love)

26.

Heel even. Heel even maar. Doe je ogen dicht en laat je meevoeren. Vergeet alles om je heen. Vergeet de tijd. Vergeet honger. Vergeet dorst. Vergeet oorlog en vergeet vrede. Als je vergeet wat vrede is, ken je ook de oorlog niet meer. En vergeet alle vormen, alle regels, alles wat je geleerd hebt, zelfs de goeie dingen. Het zijn schoolse zaken, het doet er niet meer niet toe. Vergeet wie je bent, waar je woont, wat je doet. Vergeet je vrienden, vergeet alles wat je ooit gehoord en gezien hebt. Weet je wat, vergeet alles wat ik gezegd heb.

Een schone lei, een leeg vel papier. Beweeg je hand. En kleur het maar in. Beweeg je voet. En loop door de poort. Voetje voor voetje verken je de wereld. Een lege wereld. Vul het in. Bedenk wat je ziet en je ziet wat je bedenkt. Het is van jou, het levenslot ligt in jouw handen. Doe nu langzaam je ogen open. Knipper tegen het felle zonlicht, de zon die nooit meer dooft. Je vraagt je af waar je bent? In je eigen hof van Eden.

PLAY: Gates of Eden (Bringin’ It All Back Home)

Oudere berichten »
Weblog      Beste Bob      Muijs gemist      Muijst wanted      Contact
© Martijn Muijs 2012