Beste Bob,
Ik weet niet wat het is. Met autohandelaren. Ze zijn mijn type niet. Dat begint al bij de dealer. Met een tweedehandsauto die je tweederangs hebt gekocht ben je bijna een paria. Je wordt nog net niet uitgestoten, maar het Kom bij de Club gevoel zal je nooit beleven. Je ziet ze denken: dat is er weer zoéén die voor een wissewasje komt. Dus ik vertelde dat de auto wel erg veel olie verbruikte. Na een kort vraag-antwoord-spel trok hij de conclusie. De turbo zou het wel eens kunnen begeven. Daarbij trok hij zo’n gezicht alsof er aan dit leven sowieso geen eer meer te behalen valt, dus ik durfde niet verder te vragen. Ongevraagd begon hij over de kilometerstand. En je moet weten: boven de 200.000 tel je niet meer mee. Ik keek hem aan en las in zijn ogen: zorg dat je van die auto afkomt. Zo snel mogelijk. Ruil ‘m in voor een fiets en rij naar het dichtstbijzijnde ravijn. Een prettige middag verder.
Ik reed terug naar huis en voelde een afstand. Tuurlijk, hij had me al twee ton niet in de steek gelaten, hooguit dacht ‘ie bij 7 graden boven nul dat het -21 was, verder waren we vrienden. Maar niet voor lang meer. De grote queeste naar een nieuwe wagen zou spoedig beginnen. De auto morde. Hikte. Verkeerde versnelling.
Die zoektocht begon de zaterdag erop. Liever de dealer, maar dan tweedehands. En dan beland je al gauw in het niemandsland van schimmige bedrijven als Autohandel Favoriet, Autobedrijf Vogelzang en De Zwaan Inkoop & Export. Waar dat ene krasje op jouw lak je al bijna tot derderangs burger in z’n ouwe aftandse aso rammelbak degradeerde, daar vraag je je bij zoveel butsen, krassen en deuken af of er eerste eigenaren zijn die kunnen rijden. Met kilometerstanden waar de mijne nog van moet dromen. Het volgende moment wordt je besprongen door Martin Morero, die ongevraagd zijn verkoopverhaal doet bij de auto waar je toevalligerwijs op dat moment bij staat. ‘Ja, nee, prima wagen, prachtig karretje vind ik zelf, m’n schoonvader heeft er ook zoéén, puik boodschappenwagentje hoor, niks mee aan de hand, strak in de lak, nooit problemen mee gehad.’ Als je vervolgens vraagt naar de kilometerstand drijft een eerste wolkje aan de strakblauwe hemel voorbij. ‘Ja, er is iets met het display aan de hand geweest, dus er staat wel 160.000, maar dat kan ook 170 of 180 zijn. Maar die motoren kunnen dat hebben hoor. Ik ken er één die heeft 4 ton gelopen, zonder een centje pijn.’ Terwijl hij zijn lofuitingen voortzet, zie ik dat de bumper aan de onderkant overgespoten is, blijkt een achterlicht aan gruzelementen te liggen en als ik alleen al kijk naar de antenne breekt ‘ie af. Ondertussen wordt Martin gebeld. ‘Doe ik normaal gesproken nooit hoor, maar deze moet ik even nemen.’ De drie daaropvolgende keren dat hij gebeld wordt door z’n schoonvader neemt ‘ie ook op. Mijn vader en ik kijken elkaar aan: wegwezen! En dus maken we een proefritje.
Op het dashboard beginnen een paar lampjes op te lichten die normaal gesproken uitnodigen tot een bezoek aan de vluchtstrook. Ik probeer het asbakje te sluiten, waarbij het klepje spontaan afbreekt. Máár, zo zeggen we tegen mekaar: mooie kleur d’r op. Dat is vaktaal voor: geen idee waarom iemand ooit op het idee is gekomen om deze kleur te bestellen, maar we doen net of het prachtig staat. Bij terugkomst zeggen we er nog even over na te denken en we rijden weg.
Ons volgende adres ligt middenin een woonwijk. De navigatie stopt voor een deur waarachter ik van alles vermoed, behalve een autobedrijf. Toch hangt er een bordje boven met een auto erop geschilderd. Als we de drempel overgaan belanden we in de seventies. Eikenhouten meubelen, vergeelde foto’s aan de muur, een tapijt dat al gedateerd was toen ‘ie werd aangeprezen in de folder. Geen auto te bekennen. Die blijken een paar kilometer verderop te staan op een industrieterrein. Terwijl hij de sleutels gaat zoeken nemen we plaats op de bank. Rechts van me ligt een stapeltje cd’s. En… krijg nou wat, de bovenste cd. Bob Dylan. Empire Burlesque. Al net zo gedateerd als het interieur, bepaald geen hoogtepunt uit je oeuvre, maar het is beter dan niks. Of Michael Bolton, om maar eens wat te noemen. Die ligt daaronder. Nadat de man minutenlang gerommeld heeft in een koffertje met sleutels, komt hij met een mindere mededeling: de auto is al verkocht.
Dus de zoektocht gaat verder. Via mooie praatjes, gouden horloges, Martin Morero’s, om uiteindelijk vlak bij huis tegen een vriendelijke verkoper aan te lopen. Kortom: ik heb een nieuwe auto. Dezelfde als ik had. En die ouwe? Die gaat inclusief krassen en hoge kilometerstand richting Polen.