Dat wat verborgen is wil je graag zien.
Na afloop van het concert van Mark Knopfler en Bob Dylan loop ik over het parkeerterrein naar de auto. Naast het gebouw waar ik ben uitgekomen staan hoge hekken beplakt met zwarte folie, waar nog net het dak van de tourbus bovenuit piept. De lampjes zijn aan, hij staat met draaiende motor te wachten. Een man en een vrouw proberen tussen de spijlen door een glimp op te vangen. Ik loop naar ze toe en vraag of er wat te zien valt. ‘Hij stapt net de bus in, maar hij stond hier net, vlak voor de bus, een sigaretje te roken denk ik. Hij had nog hetzelfde aan als op het podium.’ Ik baal dat ik niet een halve minuut eerder ben komen aanlopen, en kijk tegen beter weten in toch even door hetzelfde gaatje. Met één oog toegeknepen en de ander open zie ik de bus in beweging komen. Daar, ergens achter één van de geblindeerde ramen, zit Bob. Misschien kijkt hij naar buiten, misschien kijkt hij naar mij. Dat is wat ik denk als de bus een draai maakt en op twee meter afstand van het hek voorbij zoeft en in het donker verdwijnt. Tegelijkertijd voel ik me een bakvis, desperaat hopend op een glimp van zijn idool, die ik nota bene net anderhalf uur lang op niet al te grote afstand -ik kom altijd vroeg, dan sta ik nog een beetje vooraan- heb kunnen aanschouwen. Maar in het echt is het toch anders, bedenk ik me.
In het echt. Ik vraag me wel eens af hoe hij in het echt is. Van alle onbereikbare artiesten is hij misschien wel de meest onbereikbare. Alleen als je 80 euro neertelt wordt het gordijn even opgetrokken, zie je de artiest aan het werk, 17 nummers lang en als je geluk hebt nog ééntje extra. Vooraf met je oor tegen de deuren van de nooduitgang luisteren naar de soundcheck levert alleen wat gitaargeluid en drumgebulder op. Van een zanger is geen sprake. Die komt even voor showtime aangereden en stapt na afloop meteen van het podium de bus in. De rest van de band mag een bus later.
Zouden ze elkaar treffen in de lobby van het hotel? Drinken ze een glaasje op de goede avond? Ik fantaseer erover, maar een antwoord heb ik niet. Eigenlijk wil ik het ook niet weten, ik koester de mythe van de man. ‘Ook de koningin moet naar de wc’ wordt er dan altijd door die ene oom geroepen op verjaardagsfeestjes, doelend op het feit dat het ook maar een mens is. Ik geloof liever dat de koningin gewoon niet poept. Ik wil geloven in de artiest, niet in die zorgzame opa die zijn kleinkinderen een weekendje te logeren heeft, ze warme melk brengt voor het slapen gaan en nog even een verhaaltje voorleest. Ik wil niet dat hij zomaar een mens is. Anders had ik net zo goed een plakboek kunnen beginnen over mijn buurman, die geeft net zo weinig interviews als degene over wie ik wel de spaarzame stukjes uit de krant knip.
In het najaar van 2003 cross ik met een vriend dwars door Duitsland. Ik heb nog geen rijbewijs, dus hij rijdt de groene bestelauto naar Oberhausen. Waar zijn we al niet geweest. Braunschweig, Hamburg, Dortmund en we moeten nog naar Brussel. We gaan 6 concerten op rij af, we noemen het zelf de Bob Dylan tour. Als hij me voor het eerste concert komt oppikken zie ik dat zijn auto bestickerd is. ‘Bob Dylan Tour 2003′ staat er groot op de zijkant van z’n auto, en daaronder de steden waarvoor we kaartjes hebben gekocht. Ik lach en zeg dat als we maar zelfverzekerd genoeg kijken we vast wel door de beveiliging heen komen en onze auto backstage kunnen parkeren. Onderweg trekken we bekijks, ook van de Polizei. Die maant ons tot stoppen bij een tankstation, maar als we de wagen volgen naar de afrit, geeft ‘ie ineens gas en verdwijnt. Bij het stadion aangekomen volgen we braaf de aanwijzingen van de parkeerwachters en stoppen uiteindelijk voor een hotel. Als we later die avond terugkeren bij de auto, stappen we vlug in, het regent pijpenstelen. Terwijl de auto start, zwiept de ruitenwisser over de voorruit. Ik zie dat er iets onder gestopt is. ‘Vast één of andere reclamefolder,’ denk ik, maar het blijkt een handgeschreven briefje te zijn, verpakt in plastic om het tegen de regen te beschermen. Het is ondertekend door een vrouwennaam. Het blijkt een oproep dat we contact met haar moeten opnemen. Ze logeert in het hotel waar we voor staan. Haar kamernummer is dat en dat en pleaeaeaease contact me. We barsten in lachen uit, zij denkt echt dat onze ex-telecomauto bij het gevolg van Bob Dylan hoort! 1-0 voor ons, hoewel het nog niet eens zo gek gedacht is: als je als artiest onopvallend wil blijven stap je niet in een limousine maar in een knalgroene bestelwagen, daar verwacht immers niemand je in aan te treffen. Had Bob ook niet ooit een onooglijk huis in de meest ongezellige buitenwijk van Los Angeles gekocht, omdat niemand verwachtte dat een ster van zijn kaliber daar zou wonen, inclusief de buren die jarenlang onwetend naast één van de grootste popartiesten hadden gewoond? En bleek hij ook niet jarenlang een relatie te hebben gehad met één van zijn achtergrondzangeressen zonder dat één paparazzo dat wist, en bleken ze pas na de scheiding dat ze ooit getrouwd waren geweest en dat hun dochter al een jaar of 15 oud was?
Of zag ze gewoon wat ze wilde zien?
Het is 29 mei 2012. Bob Dylan krijgt de hoogste onderscheiding voor een Amerikaans burger omgehangen door de president zelf. Voor de ceremonie zitten alle 13 prijswinnaars keurig in het gelid in het Witte Huis, terwijl Obama soepel zijn speech afsteekt en ze één voor één in het zonnetje zet. Eén van de geëerden kijkt stoïcijns voor zich uit. Hij heeft een zonnebril op zijn neus. Het is Bob. Ik vraag me af wat er achter die ondoordringbare glazen gebeurd. Wat hij denkt. Waarom hij voor de president van Amerika niet even zijn zonnebril afzet. Misschien denkt hij wel: ‘Obama moet ook naar de wc.’ Als hij aan de beurt is staat hij rusteloos te wiebelen op z’n benen, ondertussen zijn wenkbrauwen optrekkend en met een nerveuze grimas om de mond. Is het omdat hij geen gitaar om zijn hals heeft hangen en zich nu geen houding weet te geven? Hij zegt niks en bij de persoonlijke felicitaties van Obama slaat hij met zijn hand op de bovenarm van de president, niet als joviaal gebaar, eerder als teken dat hij zo snel mogelijk weer weg wil. Enkele ogenblikken later verdwijnen de gasten voor een hapje en een drankje in de naastgelegen zaal, buiten het oog van de camera. Daar had ik nou juist wel graag bij willen zijn. Zou hij zijn zonnebril af hebben gezet? Een koetjes-en-kalfjes-gesprek met de gasten zijn aangegaan? Een ‘sorry dat ik zo nukkig deed net’ aan Obama hebben gericht, om het af te maken met een goeie mop? Ik denk de antwoorden te weten, maar alles wat ik denk krijg ik niet te zien.
Totdat de maskerade heel even wegvalt. Ik speur naar filmpjes van concerten waar ik bij ben geweest. Ik tik op de bonnefooi een paar trefwoorden in, zolang Bob Dylan maar niet in de titel voor komt. Dan is de websheriff namelijk onverbiddelijk: die opnames zijn subiet van het wereldwijde web gewist. Ik mag zelfs niet zien wat ik ooit heb gezien. Via via via kom ik uit bij een filmpje waarbij halverwege All Along The Watchtower op de recordknop is gedrukt. Het is niet het kraakheldere geluid dat mij laat verder luisteren, en al helemaal niet het zwabberende beeld dat mij verder laat kijken. Ik herken dit. Ik herken deze plek. Het zijn de laatste noten van een concert in Gelsenkirchen. In een openluchttheater staat de band te spelen, terwijl achter hen een rivier stroomt, waarop bootjes voorbij drijven. Aan de overkant zitten mensen op de kade naar de ruggen van de muzikanten te kijken. En ze zien wat er allemaal backstage gebeurd. De bus staat al klaar, de lampjes branden. De camera registreert de laatste noten van het optreden, het publiek juicht, de muzikanten komen het trapje af. Bob loopt ergens tussen hen in, beveiligingsmensen lopen er omheen. Hij drukt joviaal de hand van iemand die al een tijdje staat te wachten, het zal de organisator van het concert zijn. Hij vraagt om een handtekening en krijgt ‘m ook. De gitarist is een paar meter verder gelopen en staat te praten met een dame in een zomers jurkje. Als Bob verder loopt wordt het beeld onduidelijk. De opname is al niet scherp, en door de vele mensen op dezelfde vierkante meter zie ik niet meer wie wie is. Ook het zomerse jurkje is ineens verdwenen. Ik moet even terugspoelen, knijp met mijn ogen, en zie dan ineens dat de dame is verdwenen in de tourbus. De rest van de muzikanten loopt door naar de volgende bus, maar waar is Bob gebleven? Nadat ik nog een keer heb teruggespoeld zie ik het ineens: Bob loopt het trapje op, direct gevolgd door de dame in het jurkje. De deur klapt dicht, en de bus rijdt weg. Om er zeker van te zijn dat ik het goed heb gezien bekijk ik het filmpje nog twee keer, en blijf zien wat ik zojuist zag.
Genoeg gezien om verder te fantaseren.




Tja, Bob is ook maar een mens