Radio 538KX Radio
Weblog Beste Bob Muijs Gemist Muijst Wanted Muijsmail
Beste Bob: Ballad Of A Thin Man

Beste Bob,

Of eigenlijk moet ik zeggen: beste Rob. Het is inmiddels een jaar geleden dat je me onderdak gaf, nadat je hoorde dat ik bij 3FM weg zou gaan. We waren collega’s, maar spraken elkaar door wisselende werktijden zelden. Ik kwam je een keer tegen bij de lift, ik ging naar boven, jij kwam net naar beneden. In je hand je hebben en houden verpakt in een plastic tas van de supermarkt. Wel chic vond ik je schoenen. Puntlaarzen waar één of andere krokodil voor gesneuveld moet zijn. Jij zei hoi en ik zei ook zoiets, en dat was het dan. Van anderen had ik gehoord dat je nogal moeilijk benaderbaar was, een afstandelijk iemand, die z’n eigen gang ging. Misschien vond je mij ook wel een rare kwibus, want de eerstvolgende keer nam ik in mijn kielzog Dick Treesie mee. We deden iets voor zielige kinderen en we bivakkeerden de hele dag op de gang. Dat was zo ongeveer wat ik vertelde toen ik vroeg of ik even reclame mocht maken. Ik was nog maar halverwege de zin en jij zei al ja. Meer woorden hebben we niet gesproken, tot jij ineens opbelde. Je stond niet in mijn telefoonboek, en hoe je aan mijn nummer kwam weet ik niet. Ik vroeg nog een keer met wie ik sprak toen ik de eerste keer wel verstond dat het Rob Stenders was maar dacht dat ik dat zelf verzonnen had. Toen kwam die openingszin. Ik hoor dat jij de stervende zwaan bent, en ik ben je aasgier. Of ik bij je hobbystationnetje in Amsterdam kwam. Het internetstation van Rob Stenders. Die Rob waar ik altijd naar luisterde als ik uit school kwam. Die Rob waar ik altijd zo om moest lachen vanwege z’n taalvondsten. Die Rob die me muzikaal opvoedde omdat hij Andreas Johnson net zo vaak achter mekaar draaide tot je ‘m wel leuk moest vinden. Die Rob die een tikkie mysterieus was, sowieso altijd te laat kwam en soms helemaal niet kwam opdagen. Die Rob die aan z’n luisteraars vroeg of z’n contract verlengd moest worden. Die Rob die ik altijd zo bewonderde. Maar dat zei ik allemaal niet. Ik zei ja. Een week later zat ik tegenover je en je bleek hartstikke aardig. Je bleek ook van voetbal te houden, en daarin vond je geen gesprekspartner, maar dat ik –in tegenstelling tot Fred- Steely Dan wel kon waarderen maakte een boel goed. En of ik volgende week kon beginnen.

Het is inmiddels een jaar geleden dat ik de eerste regels aan dit papier toevertrouwde. Het begin van een dagboek, hoewel zonder dagelijkse bijdrage en ook de geheimhouding door middel van een slot en een goed bewaakte schuilplaats ontbreekt. Het is eigenlijk alles wat een dagboek niet is, en toch is dat was het is. Ik doe het om de taal te laten spreken. Ik doe het voor de muzikale opvoeding. Ik doe het soms een tikkie mysterieus. Ik doe het om dat te zeggen wat ik niet altijd hardop durf te zeggen, en zeg het vervolgens hardop. Ik doe het voor Bob. Eh… Rob, wat is je favoriete liedje van Bob?

Beste Bob: Chimes of Freedom

Beste Bob,

Het was 1989 en ik was nog een kind. Ik kreeg het in Jip & Janneke taal uitgelegd via het jeugdjournaal. Aan de rechterkant woonden de Ossies, aan de linkerkant de Wessies. Je kon niet bij elkaar op visite, zelfs niet als het je eigen familie was. Al woonde je honderd meter bij elkaar vandaan en kon je uit het raam zwaaien naar de overkant. Zonder pardon werd je tegengehouden bij de muur. Of erger nog: neergeschoten. De muur, die dwars door de stad liep. Een grens die de stad in tweeen verdeelde. Nog meer indruk maakten de beelden. Mannen met pikhouwelen bovenop de muur, die uit alle macht op het beton inhakten. De ene kant met kleurige graffiti, de andere kant kaal en grijs. Blije gezichten, nog steeds strak kijkende mannen in uniform, een slagboom die omhoog gaat, een bonte stoet mensen die al zwaaiend de grens passeert, te voet, op de fiets of in een vaalgroene Trabant.

Het zijn de eerste beelden die bovenkomen; vraag me niks over het EK van 1988 of het bezoek van de Paus een paar jaar daarvoor. Maar de val van de muur staat op mijn netvlies gebrand. En nu, 20 jaar later, sta ik er zelf. Busladingen vol toeristen worden uitgespuugd bij Checkpoint Charlie. Geen muur te zien, alleen een wachthuisje met een acteur in uniform die gezellig met Japanse toeristen op de foto gaat. Je kan lopen waar je wil, als er tenminste niemand voor je voeten loopt. Verder lijken alle sporen uitgewist, behalve een rij kinderkopjes die aangeeft waar de muur heeft gestaan. Ik hinkel van links naar rechts. Honderd meter verderop staat nog een stuk muur overeind. Geen japanner te zien. Ernaast een braakliggend terrein, daar stond ooit het hoofdkwartier van de SS. Op de puinhopen van Hitler werd de aorta van een nieuwe dictatuur gebouwd. Ik bedenk me wat het is ein Berliner te moeten zijn. Het is een grijze dag, typisch Oost-Duits weer. Een Trabant rijdt rokend voorbij. Kun je huren voor sightseeing Berlijn. Ik loop onder de Brandenburger Tor door, Unter den Linden, en bedenk me dat ik van west naar oost gelopen ben.

Een week lang heb ik het liedje van Klein Orkest in mijn hoofd. De Karl Marx Allee doemt op. Voor een communistische straat ziet het er gezellig uit. Een Porsche scheurt voorbij. Ik raak in de war bij het zien van al die moderne gebouwen. De grote grijze betonkolossen staan tegenwoordig in het westen. De vooruitgang leverde een McDonalds op. Slapen doe je in de Tulip Inn. Bij de halte van de tram hangt een aanplakbiljet voor een concert in de O2 World. Van eenheid komt eenheidsworst.

Beste Bob: Must Be Santa

Beste Bob,

Kerst. Het lijkt nog ver weg, maar voor je het weet kun je de kerstboom weer uit het vet halen. De dagen worden donkerder, de nachten kouder, en ach… in augustus liggen de pepernoten al in de winkel, dus in oktober een column over kerst: kan best!

Kerst. Het is net als de kermis. Ik heb er een haat / liefde verhouding mee. Los van het feit dat kerst en kermis vier letters met elkaar delen, delen ze ook dezelfde vrolijkheid én treurigheid. Kerst is verworden tot een kermis: lichtjes zover het oog zien kan, gesimuleerde gezelligheid die chagerijn moeten verbloemen. We sluiten vrede op aarde, want het is kerst. We gourmetten gezellig, want het is kerst. We lachen, drinken en doen vrolijk, want het is kerst. Heb je ooit achter de facade van de turbopoliep gekeken? Opgewekte klanken schallen uit de speakers, de lampjes knipperen in alle kleuren van de regenboog, maar eenmaal aangekomen bij de kassa word je meewarig aangekeken. Een warm welkom is het niet. Is het je wel eens opgevallen dat kermisklanten altijd treurig kijken? Terwijl alles om hen heen vrolijkheid uitstraalt, kun je ze zelf nooit op een lach betrappen. Zo zou het ook zijn als kerst het hele jaar duurde. De kermisklant glimlacht pas tevreden als de lichten gedoofd zijn en de speakers op stil staan.

Als kind wilde ik altijd een kerstboom tot de nok van het dak. Hoe hoger, hoe beter. Nu staat er verplicht een kerstboom in de huiskamer, het Hollandse poldermodel in grootte, niet te groot niet te klein, met stofzuigvriendelijke naalden. Als kind was ik al voor openingstijd te vinden op de kermis. Ik keek naar de opbouwwerkzaamheden, snoof de geur van de botsautobaan op en kon niet wachten tot de geluidsinstallatie werd getest. Nu bedank ik vriendelijk voor een suikerspin en loop alleen over de kermis omdat dat de kortste route naar de stad is.

Bob en kerst. Het klinkt als mezelf op de kermis. Altijd al eens achter de microfoon van zo’n attractie willen zitten, maar eenmaal erachter heb ik geen tekst. Dus ik roep maar zoiets als ‘hop hop hop’ en ‘gaat ‘ie gaat ‘ie gaat ‘ie’ en ‘opgepast voor de start.’ Als ik op de achterkant van het cd-doosje kijk zie ik alle geëikte kerstkrakers staan. Winter Wonderland. Little Drummer Boy. Silver Bells. Bij elk nieuw album stop ik vol spanning de cd in de speler. Deze keer omdat ik bang ben wat er komen gaat.

Ik hoor kerstbellen. Ik hoor een zedig vrouwenkoor. Ik zie duizenden lichtjes, gedrapeerd over besneeuwde daken. Ik zie pakjes onder de boom. Daarboven een zedig engeltje. Ik zie een modelgezin met geglazuurde glimlachen boven een gourmetstel. Een Coca Cola truck zoeft zachtjes voorbij. En dan… hoor ik gegrom en een grauw. Een raspende stem klinkt door de winternacht. Een onbeholpen kerstman banjert door het landschap, schopt een sneeuwpop omver. Hij kijkt mysterieus, ondoorgrondelijk, het lijkt geen kindervriend. Als de arrenslee voorbij is hoor ik nog net een in whiskey en sigaren gedrenkte lach. Vrolijk kerstfeest met Bob.

Beste Bob: Is Your Love In Vain?

Beste Bob,

Ik weet het nog als de dag van gisteren. Het was 1997, de VPRO had ‘m al weken bovenaan staan in de Moordlijst en ik kende je enkel van Blowing In The Wind en The Times They Are A Changing. Ook muziekblad Oor sprak lovende woorden over wat ze noemden je comebackplaat. Niet dat je ooit weg was geweest, maar het waren wat mindere jaren. De inspiratie leek ver weg of vooral in een fles sterke drank te zitten. Te diep in het glaasje kijken in de kleedkamer zorgde in die dagen ook nog wel eens tot dieptepunten op het podium. Daarna legde je bijna het loodje door een levensbedreigende bacteriele infectie rond de hartstreek, maar je overleefde het, krabbelde weer op, zag opnieuw het licht en leverde Time Out Of Mind af.

Ik stond in de platenzaak met een koptelefoon op en kreeg vanaf de eerste klanken kippenvel. Bij nummer 3 raakte ik in vervoering en bij nummer 5 besloot ik te stoppen met luisteren, anders zou ik nog ter plekke in huilen uitgebarsten zijn. Ik rekende af, fietste naar huis en heb de rest van de dag niets anders gedaan dan luisteren en huiveren.

Het zaadje was gezaaid. Al snel breidden de wortels zich uit. Ik kocht andere platen die werden aangeprezen in de popencyclopedie. Highway 61 Revisited, Blonde on Blonde en Blood On The Tracks stonden al snel in de platenkast en draaiden overuren in de cd-speler. Ik ploos de stamboom uit en al was ik geen fan van het eerste uur: ik kocht ook de platen waar het ooit mee begon. Jij en een gitaar en verder niks. Ik dacht: was ik maar 40 jaar eerder geboren en dacht: ben ik een fan? Ik dacht van niet omdat ik dacht dat fans alles van hun idool wilden hebben en ik had ook gehoord van ernstige missers in het oeuvre en dacht dat ik mezelf dat wilde besparen. Zonde van het geld. Dan gaf ik liever 101 Duitse Marken uit om je in levende lijve te zien. 9 mei 2000, Oberhausen, ik weet nog wat je aan had. Je was volledig gekleed in het wit en ik was vanaf het eerste moment verkocht. Voor een moment werd ik verlicht en ik wilde dat dat zo bleef. Dus ging ik naar nog een concert. En nog één. Van Brussel tot Braunschweig zag ik je, en steeds weer raakte ik in vervoering.

Tot de eerste liefde wel over was en ik bij zinnen kwam en de eerste scheurtjes zich aandienden. Tuurlijk, het was nog steeds bijzonder om deze levende legende live te zien, maar je had ook wel eens een mindere dag. Slechte platen bleek je ook gemaakt te hebben. Ik kocht Self Portrait in de uitverkoop, dan was het in elk geval een goedkope miskoop. De plaat die je expres had afgeraffeld, om onder je contract uit te komen. De eerste klanken konden me nog wel bekoren maar daarna ging het al snel bergafwaarts. Ik gniffelde. Het was slecht, maar ook vermakelijk. Ik besloot dat ik het oeuvre compleet wilde hebben, en daar hoorden ook de barre jaren 80 bij. Je liet je een drumcomputer aansmeren, sloot en echoapparaat aan en worstelde je drie platen door een artistieke impasse. Ik luister met kromme tenen, maar ook met een lach op mijn gezicht. Onvoorstelbaar dat een muzikaal genie zo diep kan zinken. Als er ook nog een kinderkoor klinkt kan ik mijn tranen niet meer bedwingen, al weet ik niet of ze van het lachen of het huilen komen.

Ik besloot dat ik fan was. Niet zoéén die alles maar mooi vindt, maar wel één die je in goede en slechte tijden steunt. Maar beste Bob, de scheurtjes beginnen barsten te worden. Nog een week en dan ziet een nieuwe plaat het levenslicht. Een kerstcd. Ik laat het woord op me indringen. Kerstcd. Bij de eerste geruchten hoopte ik nog op een goeie grap, maar het bleek waar en onontkoombaar. Mijn enthousiasme daalde tot kersttemperaturen toen ik hoorde dat alle onvermijdelijke christmas carols uit de kast werden getrokken: Santa Claus is coming to town, Winter wonderland en Have yourself a merry little christmas. Kon het erger? Ja. Afgelopen week hoorde ik namelijk een sneak preview van Christmas in the heart. Inclusief kerstbellen en achtergrondkoor. Of ik fan ben? Voor het eerst in 10 jaar begin ik te twijfelen. Er zijn grenzen aan wat een fan kan verdragen. Dit wordt een dure miskoop. Gelukkig gaat het geld naar een goed doel.

Beste Bob: You Ain’t Going Nowhere

Beste Bob,

Het leven van een muzikant gaat niet over rozen. Althans: dat van de amateurmuzikant. Vanuit je privéjet in een limo stappen en vervoerd worden naar een 5 sterrenhotel, vanuit daar met de taxi naar het dichtstbijzijnde stadion, om aldaar het podium op te klimmen en voor 65.000 uitzinnige fans ‘Hello Amsterdam’ te roepen terwijl je in De Kuip staat: dat kan iedereen wel. Nee, het leven van een amateurmuzikant gaat niet over rozen. Ik kan het weten. Ik ben er namelijk één. Of: eigenlijk was. Afgelopen weekend deed ik mijn laatste optreden. Nog één keer koffers sjouwen, opbouwen, soundchecken, spelen, afbreken, koffers sjouwen, slapen. Kortom: jezelf nog één keer in het zweet werken. Nog één keer cola drinken tot je scheel ziet terwijl om je heen de kroegtijgers langzaam maar zeker dronken worden. Dat klinkt als een goeie avond: er is in ieder geval publiek.

Het laatste optreden eindigde in een deceptie. Ik riep nog ‘Kolham here we come!’ en had eigenlijk beter moeten weten. Wij waren er wel, maar verder kwam er niemand. Toen de eigenaar van de tent geld wilde gaan toeleggen om je binnen te halen, druppelden een paar verdwaalde gasten het dorpshuis binnen. Maar nog altijd waren degenen die op het podium stonden in de meerderheid. Via via hoorde ik dat er twee verjaardagen in het dorp waren. Het was nog het minste excuus in een lange rij redenen voor een geringe opkomst. Elke caféuitbater of zaaleigenaar had zo zijn eigen verklaring: in het dorp verderop was een trekkersfestival; Normaal had gisteren al opgetreden in een plaatselijke tent; het is te koud, te warm of te regenachtig; het is de recessie hè, mensen blijven liever thuis; nee, volgende week is er een kroegentocht: dán gaan de mensen massaal op stap.

Ach, een overvolle kroeg is ook niet alles. In Joure belandden we in een uitpuilend café zonder artiestenuitgang. Je spullen door de mensenmassa naar buiten sjouwen was een onmogelijke opgave: vrede in Afghanistan brengen was een makkelijker missie. En dus namen we nog maar een colaatje. En nog één. En nog één. En werd het maar heel langzaam half 4.

Na Joure volgde Haulerwijk, Groningen, Meppel. O ja, Meppel. Daar bleek de kroegeigenaar in de bak te zitten en het café gesloten. Assen, Bedum, Coevorden, Franeker, Leeuwarden, Wolvega, Drachten, Kubaard, Uithuizen: je komt nog eens ergens. En dus Kolham, de laatste stop van de rit. Nog één keer de stokken op het vel laten vallen; nog één keer op de pedalen staan, nog één keer de bekkens laten schallen, toen viel het doek en was het gedaan.

De karavaan gaat verder en ik sla af. De drumkruk wordt vanaf nu warm gehouden door iemand anders. Terwijl ik op zaterdagavond onder de wol kruip, zetten zij de eerste akkoorden in, staan ze te swingen in pak ‘m beet Spijkerboor, Easterein of Nieuweschans. Charlie de Signier is niet meer. Ik werd vernoemd naar de gitarist uit je band, beste Bob. Niet omdat ik zo goed gitaar speel, maar meer omdat ik op hem schijn te lijken. Of ook zwart haar heb. En nu ik stop, komt hij terug in jouw band. Met een gerust hart berg ik mijn drumstokjes op.

Beste Bob: Not Dark Yet

De nacht. De nacht is een deel van de dag, maar maakt de dag ook deel uit van de nacht? Om te beginnen is het donker: voor de meeste mensen een teken om zelf ook het licht uit te doen, de ogen te sluiten en te gaan slapen. Niet voor de nachtbrakers en nachtwakers. Na twaalven treden zij een nieuwe werkelijkheid binnen. Na twaalven begint een nieuwe dag, een dag die niks met overdag te maken heeft. Het is nacht. En de nacht heeft zo z’n eigen regels. Z’n eigen kostgangers. Vrachtwagenchauffeurs. Broodbakkers. Nachtzusters. Studenten die er nog ééntje doen en dan naar huis wankelen. En de mensen die niet kunnen slapen. Zij horen er eigenlijk niet bij, omdat ze het slapen gaan hebben verkozen boven het opstaan.

’s Nachts is het rustig, ’s nachts is het stil. Het enige licht komt van lantaarns en een verdwaalde koplamp in de verte. ’s Nachts geen files of ander oponthoud. Nou ja, behalve van de wegwerkers dan. Rij je overdag over een zoevend nieuw stukje snelweg en je vraagt je af waar dat ineens vandaan komt: bij nacht en ontij zijn ze met gepiep en gesis bezig geweest, hopend op tijd klaar te zijn, anders meldt de verkeersinformatie onverbiddelijk dat het de schuld van de uitgelopen wegwerkzaamheden is dat je nu in de file staat. De eerste file van de dag. Die staat er trouwens steeds vaker al ’s nachts. Overdag vraag je je af waar je al die auto’s laten moet, ’s nachts vraag je je af hoe er ooit zoveel auto’s zijn geweest. Kijkend in de eindeloze verte strekt het zwarte asfalt zich voor je uit. Het is de straf van Den Haag dat je ook dan 120 moet. Maar tenminste 120 kan. De politie vangt nog echte boeven en knijpt een oogje toe als je met 140 voorbij komt. De nachtdieren voelen zich verbonden met elkaar, ook al kennen ze elkaar niet. We dienen allemaal hetzelfde doel: de ogen open houden wanneer dat eigenlijk teveel gevraagd is. De tankstationmedewerker strijkt over z’n hart en deelt een gratis kopje koffie uit, en neemt er zelf ook één. Een nacht zonder caffeine is als het Vaticaan zonder paus.

En dan, als er licht gloort aan de horizon, als het eerste teken van de dag zich aandient, als de rij eindeloze forenzen opdoemt als een metershoge golf in een kabbelende zee, als het lawaai van fietsers, bussen, trams en treinen aanzwelt, dan gaat de nachtbraker naar huis. Er is een eind gekomen aan zijn dag. Morgen weer een nacht.

Beste Bob: Under The Red Sky

Beste Bob,

Ben ik een ouwe lul aan het worden? Onlangs werd een eerste grijze haar gevonden. Gevolgd door een tweede. Kaal worden zit niet in de familie, dus daar maak ik me geen enkele zorgen over, maar de eerste voorbode voor het verworden tot een grijsaard is daar. Zoals dat gaat te beginnen bij de slapen, maar voor je het weet rijzen de grijze haren je te berge. Over slapen gesproken: voorheen vond ik rond het middernachtelijk uur dat de dag net begonnen was, tegenwoordig ben ik al blij als ik de eindtune van Pauw & Witteman haal. En klonk in de kroeg heel onverwachts de bel voor de laatste ronde: nu haal ik de eerste ronde vaak al niet eens meer.

Er is geen ontkomen aan: elke dag is er één dichter bij de dood. Nou ja, eerst is er nog de dertigersdip, dan de midlifecrisis, de penopauze volgt spoedig daarop en dan is het bejaardenhuis wel zo’n beetje in zicht. Daar houden ze je vervolgens net zo lang in leven tot je alle geraniumsoorten overleefd hebt en je jezelf verplicht voelt vrijwillige euthanasie aan te vragen. We worden steeds ouder, maar zijn ook langer oud. Daar zit je dan, in je 24-uurs luier, te wachten op je wekelijkse douche. Lang leve de vooruitgang. Vroeger werd je met moeite oud en ging je snel dood. Nu word je met gemak oud en ga je langzaam dood. Ik weet niet wat beter is.

Ieder mens takelt af. Behalve als je onder de 20 bent. Nog een geluk dat ik me 18 voel. Maar ja, ik kan wel denken dat ik 18 ben, maar een 18-jarige interesseert het al niet eens meer hoe je interessant schrijft, met één s of twee essen en of het intresant of interresant of inturrusant is, dus ik kan wel doen alsof ik 18 ben en roepen ‘haal er eens even een spellingschecker overheen,’ wat –toen ik 18 was- gemeengoed was en volkomen tegen het zere been van de generatie daarboven, die immers niet was opgegroeid met de F7-functie en de Nederlandse taal nog met aap-noot-mies door de strot geduwd had gekregen, maar binnen no time replied de 18-jarige dat het toch niet gaat om hoe je het schrijft als je mekaar maar begrijpt?

Maar wat zeur ik. Ouwe mensen zeuren altijd. Dus wat zeur ik nou over oud worden. Ik sta nog iedere dag fit van lijf en leden op, het bierbuikje heeft zich nog niet aangediend, mijn verstandskiezen komen nu pas door, haaruitval is in de verste verte niet te bekennen, geen reden tot klagen dus. Maar toch maak ik me zorgen. Hoe valt anders te verdedigen dat ik afgelopen weekend meezong met Toto?

Beste Bob: Dreaming Of You

Beste Bob,

De meeste dromen zijn bedrog. Marco zong het ooit al eens. Helaas voor hem bleek de werkelijkheid nog wreder, en spatte zijn droom als een zeepbel uit elkaar. Maar genoeg over Marco. Ik droom namelijk zelden over Marco. Eigenlijk nooit. Des te meer over jou, beste Bob. Ik droomde laatst dat ik naar een concert van je ging, het was in het pasverbouwde Ahoy. Daar hadden ze een knus zaaltje van gemaakt. De tribunes waren gebleven, de zaal was een kwartslag gedraaid zodat er ineens veel minder mensen in konden. Dromen zijn inderdaad weinig realistisch. Evenmin realistisch was dat ik 3 kaarten had weten te bemachtigen voor de voorste rij. Helemaal onrealistisch was dat mijn moeder daarbij was. The Beatles vond ze leuk, daarna is ze afgehaakt. Afijn, we zitten daar met z’n drieën, die derde persoon was mijn vader, alsof ik niemand had kunnen vinden die met me meewilde naar een concert van Bob Dylan, toen we ineens benaderd werden door iemand van de organisatie. We hadden geluk, het lot was op ons gevallen en nu waren we uitverkoren om als VIPS het concert mee te maken. Mijn moeder zei ‘ik blijf hier wel’ dus we sjokten met z’n tweeën achter die belangrijke meneer aan.

Intussen had ik mijn vader ingeruild voor mijn beste vriend, zo gaat dat in dromen, terwijl we de catacomben van het sportpaleis betraden. Er werd ons verteld dat we een plaatsje mochten uitzoeken op het podium, zodat we Bob nog beter zouden kunnen zien. En of we hem maar even wilde volgen. We passeerden een kleedkamer, ik zag de drummer een banaan wegwerken, we liepen door nauwe gangen, trap op, trap af, het werd donker, ik ruilde ondertussen mijn beste vriend in voor de buurvrouw, we gingen linksaf, de buurvrouw bleek toch mijn eigen vrouw, nog een keer linksaf, en toen werd ons meegedeeld: hier nogmaals linksaf, dan komen jullie er vanzelf. We bedankten de man en opgetogen liepen we richting de deur die ons toegang zou geven tot het podium. Ik duwde de deur open, het ding kon trouwens wel een verfje gebruiken; de verf bladderde er vanaf, en het hele oppervlak was bezaaid met stickers die bandjes hadden achtergelaten ter zelfpromotie, ik knipperde met mijn ogen tegen het felle licht en daar stonden we dan… Op de achterste tribune.

In de verte kon ik nog net het podium zien, met daarvoor, op de eerste rij, mijn moeder, terwijl ik nog net liplezend kon zien hoe twee laatkomers vriendelijk vroegen of deze plaatsen nog bezet waren. We waren erin geluisd! Niks VIP plaatsen op het podium, dit waren de allerslechtste plaatsen denkbaar. Maar ik liet mijn humeur niet verpesten, ik was immers bij een concert van Bob Dylan. Ondertussen doofde het zaallicht; een teken dat het concert ging beginnen. Een paar mannen met een snor kwamen het podium op, Bon was er niet bij. Ze pakten alle drie een Spaanse gitaar en begonnen te spelen. Ik zag de mensen naar elkaar kijken en raakte zelf ook in verwarring: waren we wel bij het goede concert? Maar gelukkig, na een kort intermezzo kwam de grote meester het podium opgelopen. Luid applaus steeg op in het akoestisch duidelijk verbeterde Ahoy. De mannen met de Spaanse gitaar bleven staan. De drummer kwam ook het podium op. Hij pakte een paar castagnetten. Was dit een grap? Je kon van Bob veel verwachten, maar toch niet dat hij ineens Spaanstalig gegaan was en met een sombrero op een flamencoconcert ging geven? Het publiek was in verwarring. Ik dacht: hij moet er even inkomen. Na een kwartier werd de vijfde flamenco ingezet. Nu verlieten de mensen massaal de zaal. Bob verliet het podium na twintig minuten, de Spaanse mannen bleven doorspelen.

De volgende ochtend verliet ik nog slaperig mijn bed, sjokte de trap af en ging aan tafel zitten om de krant te lezen. ‘Concert Bob Dylan was een test’ luidde een kop op pagina drie. Bob Dylan was gevraagd door een onderzoeksbureau om mee te helpen met een grootscheepse test. Hoe zouden fans reageren als ze niet kregen wat ze verwachtten? Dat hele flamencogedoe was gewoon een opzetje om het publiek uit te testen. Ik was blij dat ik was gebleven.

Voor de tweede keer die dag opende ik mijn ogen. Nog slaperig verliet ik mijn bed, grinnikend om die vreemde droom, sjokte de trap af en ging aan tafel zitten om de krant te lezen. ‘Bob Dylan komt met kerstalbum’ luidt de kop op pagina 18. Christmas in the heart gaat het album heten, en het komt begin oktober uit. Alle opbrengsten gaan naar een goed doel. Dylan schreef zelf geen nummer voor het album, maar nam bekende kerstklassiekers op als Winter wonderland, Have yourself a merry little christmas en The First Noel.

Ik knijp mezelf in mijn arm om te testen of ik droom. Auw. Ik ben klaarwakker.

Beste Bob: I Was Young When I Left Home

Beste Bob,

Heb jij dan nooit heimwee? Bedoel, als je weer eens staat te spelen in één of ander oord – laat het Milaan zijn, Perth voor mijn part, of Milwaukee, of desnoods Jönköping, of Rotterdam – dat je dan in een split second denkt: gut, ik heb thuis ook nog dat overheerlijke trapistenbier in de koelkast liggen – en meteen daar achteraan: zou er tussen de stapel post nog een leuke brief liggen? En je denkt aan je eigen spullen, je eigen boeken, je eigen kleren in je eigen kledingkast. Kortom: je wil wel weer naar huis.

Niet dat ik het niet leuk vind om ergens anders te zijn, maar het plezier in het vooruitzicht naar een andere plek -met onontdekte hoekjes en gaatjes, planken en laatjes- zit ‘m vooral in zijn eindigheid. Als ik maar weet dat ik na een week of wat weer naar huis mag. Ik heb ooit eens een rondreis van vier weken gemaakt – elke bestemming was voor hooguit een dag of twee, waarna de reis weer werd hervat. Daarmee werd de intrede van de sleur, het gevoel van ‘nu heb ik het hier wel weer gezien’ keer op keer uitgesteld, maar uiteindelijk begon, na een week of 3 en een half, het gevoel toch te knagen: ik wil naar huis terug. Wat overigens een liedje is dat ik zong op de afscheidsmusical in groep 8. Ik wil naar huis terug. Mijn bijdrage was een klagerig ‘aaaaah’ zingen tussen de regels door. Het laatste liedje van die musical weet ik ook nog. ‘Tot ziens, tot ziens, het beste en de groeten, kom een keertje langs of pak de telefoon.’ En je wist dat het niet ging gebeuren. Je beste vriend van de basisschool verdwijnt in het niets, de brievenbus blijft leeg, de blaadjes in de telefoonklapper vergelen tot de nummers onleesbaar zijn geworden. Ach, niet dat je terugwil naar toen, het is meer melancholie. Net zoals ik wel eens droom over het huis waar ik als kind woonde. Van de straat er naartoe, tot de oprit, tot en met elke kamer: ik ken het nog. Maar heimwee, nee.

Heimwee is het niet. Ook nooit gehad. Mijn ouders lieten me rustig een weekje uit logeren gaan. Ik hoefde geen knuffels mee, schreeuwde niet om het dekbed van thuis, jammerde niet dat ik alleen met m’n eigen lego wilde spelen. En toch, als de terugreis dan weer werd aanvaard, was er dat gelukzalige gevoel. Het gevoel: ik ga weer naar huis. Hoewel het mooiste moment dan nog moet komen. Het moment waarop de deur opengaat, je de drempel overstapt en je neus ophaalt. Die geur, die er altijd al was, maar omdat je er altijd bent niet langer ruikt - de geur die je dán ruikt en die uit duizenden geuren herkenbaar is: de geur van je eigen huis. Je bent thuis.

Niet dat het ergens anders niet leuk is, maar een ander huis is toch niet je thuis. Het zijn wel jouw kleren die in de kast liggen, maar het is een andere kast. Die anders ruikt. Met ander wasmiddel in de wasmachine. Misschien hetzelfde scheefhangende schilderij, maar het hangt toch anders scheef dan bij jezelf thuis. Bij een ander denk je: dat zou ik onmiddellijk rechthangen, in je eigen huis denk je: dat ga ik morgen recht hangen. En je legt je voeten op je eigen tafel en kijkt naar je eigen teevee.

Niet dat ik altijd thuis wil zijn: als ik eenmaal thuis ben, wil ik ook wel weer weg. Het weggaan is minstens zo leuk, omdat je weet: over een tijdje kom ik weer thuis. En om thuis te komen moet je eerst weggaan. Afijn, ik ben weer thuis. En nu wil ik wel weer eens een weekendje weg.

Beste Bob: Tell Me That It Isn’t True

Beste Bob,

Wat is waar? Die vraag werd ooit dagelijks door Henk Westbroek gesteld. Als het tenminste Henk Westbroek was en niet zijn imitator Gerard Ekdom. Want what’s real on the radio? Als jongetje stelde ik me vroeger voor hoe de studio eruit zou zien, en nog meer: wat het gezicht achter de stem was. De tijd dat het woord webcam nog niet in de Dikke van Dale stond en muziek nog vanaf de draaitafel kwam. Toen radiomensen nog radiohoofden hadden. Toen radiomensen nog televisieschuw waren. Toen radiomensen nog bij hoge uitzondering met hun radiohoofd in beeld kwamen. Toen je je nog wezenloos schrok als het radiohoofd van een radiomens in beeld kwam. Was dit het gezicht achter de zoetgevooisde stem?

Niet veel later ging de volgende illusie verloren. De DJ die met een stapel platen onder zijn arm de studio binnenwandelt en de eerste alvast scherp zet. Het was niet de tik van de plaat of de CD die oversloeg, maar het systeem dat stokte, waarop de presentator zei: sorry, we kunnen geen muziek draaien, want de computer is gecrasht. Anno 2009 roept de discjockey: ‘Beller nummer 51 wint een scooter!’ en zegt zodra de microfoon dicht is: doe maar de eerste leuke vrouwelijke kandidaat.

Niets is wat het lijkt. Sinds Frank Masmeijer zijn eigen familie een reisje naar de zon liet winnen, heeft de geloofwaardigheid van de televee eveneens een deuk opgelopen. Sorry, je valt even weg, volgens mij gaat er iets mis met de verbinding, ik hoor niks in mijn oortje, onze excuses voor de technische problemen, we zien je wel maar horen je niet, we proberen het later nog eens – en sindsdien is ook de correspondent live bij het Witte Huis niet langer live. Dat Witte Huis op de achtergrond trouwens ook niet, want de wapperende vlag staat al een tijdje stil. En het was midden winter? Toch een tikkie fris in je overhemd, Sjarrel.

De media is slechts een afspiegeling van de werkelijkheid. Je zou zo denken dat de maanlanding daadwerkelijk plaatsvond in de Hollywood Hills en dat de zeezenders gewoon een bandje met meeuwen aan hadden staan. Kan ik nu ook rustig zeggen dat mijn programma’s van tevoren worden opgenomen op een cassettebandje. Niemand die me gelooft.

Oudere berichten »
Weblog      Beste Bob      Muijs gemist      Muijst wanted      Contact
© Martijn Muijs 2010