Ik vraag me af wat er was gebeurd als niet hij, maar jij het was. Of het ook voorpaginanieuws zou zijn. Of CNN het breaking news zou vinden. Of er huilende fans met knuffelberen op diverse kruispunten zouden staan. Of er vier dagen lang clips van je uitgezonden zouden worden op tv. Of je cd’s uitverkocht zouden zijn bij de platenzaak. Of jouw naam de meest gegooglede zoekopdracht van de week zou zijn. Of er een tweede lijkschouwing zou plaatsvinden. Of er iemand zou twitteren: nu heeft hij eindelijk rust.
Maar het meest vraag ik me nog af hoe ik die dag zou doorkomen. ‘Zou je huilen?’ vroeg iemand die zich voorstelde dat niet hij maar jij het was. Ik denk dat ik zou schrikken, maar huilen… nee. Ik denk dat ik verdrietig zou zijn, omdat je er nu niet meer bent, maar huilen… nee. Ik denk dat ik als eerbetoon een cd van je zou opzetten, een clip van je zou kijken, een traan zou voelen opwellen, maar huilen… nee.
En ik pink een traantje weg. Van geluk. Omdat je er nog bent.
Zo begin ik mijn wekelijkse ritueel. Een nieuwe week, een nieuwe bladzijde. Een nieuwe bladzijde in een virtueel dagboek. Over autohandelaren, radioperikelen, de liefde, eten in een restaurant, de economische recessie, nog een keer de liefde, twijfel, hoop, onzekerheid, feesten en partijen. Kortom: de dagelijkse en diepere dingen in het leven. Een dagboek zonder slot. Waarvan ik één ding zeker weet: wie het ook hoort, wie het ook ziet, jij bent het niet. Dat is niet erg. Al lul ik tegen je aan en zeg je niks terug; tegenspreken en moeilijke vragen stellen is er tenminste ook niet bij. Dus kan ik rustig zeggen hoe blij ik met je ben. Je hoort het toch niet. Voor hetzelfde geld noem ik je een klootzak, al voel ik lichte tegenstand om dat daadwerkelijk uit te spreken. Ik ken jou niet, jij kent mij niet. En toch is er ergens dat gevoel van verbondenheid. Het gevoel dat jij mij begrijpt.
Soms denk ik dat ik op je lijk. Dat jij mij bent, en ik jou. Of is mijn denken en mijn doen universeel? Misschien is iedereen uiteindelijk hetzelfde. Voelt elke man wat de buurman ook voelt. En de vrouw… Zou de vrouw waarover je zingt zichzelf herkennen? Zou ze weten dat zij bedoelt wordt, dat zij het is, baby blue? Zou ze zich aangesproken voelen als je zingt You’re gonna make me lonesome when you go? En is het dezelfde vrouw als je zingt I’m sick of love, I’m lovesick?
Misschien voelt ze zich verwant met de vrouw waarover je zingt, de vrouw waarover ik schrijf. En voor een moment vergeet ik dat de rest van de wereld ook mee kan luisteren. Mee kan lezen met wat ik voel, denk, doormaak. Gelukkig is er dan altijd nog de muziek. De muziek die spreekt. Die verwoordt wat ik wel wil, maar niet kan verwoorden. Het is immers een dagboek zonder slot. Soms laat ik me bijna volledig gaan, soms balanceer ik op het randje, soms hou ik het lekker luchtig, soms geef ik een draai aan de werkelijkheid, soms vertel ik de waarheid en soms… ben ik stil. En dan begin jij te zingen.
Ik weet niet wat het is. Met autohandelaren. Ze zijn mijn type niet. Dat begint al bij de dealer. Met een tweedehandsauto die je tweederangs hebt gekocht ben je bijna een paria. Je wordt nog net niet uitgestoten, maar het Kom bij de Club gevoel zal je nooit beleven. Je ziet ze denken: dat is er weer zoéén die voor een wissewasje komt. Dus ik vertelde dat de auto wel erg veel olie verbruikte. Na een kort vraag-antwoord-spel trok hij de conclusie. De turbo zou het wel eens kunnen begeven. Daarbij trok hij zo’n gezicht alsof er aan dit leven sowieso geen eer meer te behalen valt, dus ik durfde niet verder te vragen. Ongevraagd begon hij over de kilometerstand. En je moet weten: boven de 200.000 tel je niet meer mee. Ik keek hem aan en las in zijn ogen: zorg dat je van die auto afkomt. Zo snel mogelijk. Ruil ‘m in voor een fiets en rij naar het dichtstbijzijnde ravijn. Een prettige middag verder.
Ik reed terug naar huis en voelde een afstand. Tuurlijk, hij had me al twee ton niet in de steek gelaten, hooguit dacht ‘ie bij 7 graden boven nul dat het -21 was, verder waren we vrienden. Maar niet voor lang meer. De grote queeste naar een nieuwe wagen zou spoedig beginnen. De auto morde. Hikte. Verkeerde versnelling.
Die zoektocht begon de zaterdag erop. Liever de dealer, maar dan tweedehands. En dan beland je al gauw in het niemandsland van schimmige bedrijven als Autohandel Favoriet, Autobedrijf Vogelzang en De Zwaan Inkoop & Export. Waar dat ene krasje op jouw lak je al bijna tot derderangs burger in z’n ouwe aftandse aso rammelbak degradeerde, daar vraag je je bij zoveel butsen, krassen en deuken af of er eerste eigenaren zijn die kunnen rijden. Met kilometerstanden waar de mijne nog van moet dromen. Het volgende moment wordt je besprongen door Martin Morero, die ongevraagd zijn verkoopverhaal doet bij de auto waar je toevalligerwijs op dat moment bij staat. ‘Ja, nee, prima wagen, prachtig karretje vind ik zelf, m’n schoonvader heeft er ook zoéén, puik boodschappenwagentje hoor, niks mee aan de hand, strak in de lak, nooit problemen mee gehad.’ Als je vervolgens vraagt naar de kilometerstand drijft een eerste wolkje aan de strakblauwe hemel voorbij. ‘Ja, er is iets met het display aan de hand geweest, dus er staat wel 160.000, maar dat kan ook 170 of 180 zijn. Maar die motoren kunnen dat hebben hoor. Ik ken er één die heeft 4 ton gelopen, zonder een centje pijn.’ Terwijl hij zijn lofuitingen voortzet, zie ik dat de bumper aan de onderkant overgespoten is, blijkt een achterlicht aan gruzelementen te liggen en als ik alleen al kijk naar de antenne breekt ‘ie af. Ondertussen wordt Martin gebeld. ‘Doe ik normaal gesproken nooit hoor, maar deze moet ik even nemen.’ De drie daaropvolgende keren dat hij gebeld wordt door z’n schoonvader neemt ‘ie ook op. Mijn vader en ik kijken elkaar aan: wegwezen! En dus maken we een proefritje.
Op het dashboard beginnen een paar lampjes op te lichten die normaal gesproken uitnodigen tot een bezoek aan de vluchtstrook. Ik probeer het asbakje te sluiten, waarbij het klepje spontaan afbreekt. Máár, zo zeggen we tegen mekaar: mooie kleur d’r op. Dat is vaktaal voor: geen idee waarom iemand ooit op het idee is gekomen om deze kleur te bestellen, maar we doen net of het prachtig staat. Bij terugkomst zeggen we er nog even over na te denken en we rijden weg.
Ons volgende adres ligt middenin een woonwijk. De navigatie stopt voor een deur waarachter ik van alles vermoed, behalve een autobedrijf. Toch hangt er een bordje boven met een auto erop geschilderd. Als we de drempel overgaan belanden we in de seventies. Eikenhouten meubelen, vergeelde foto’s aan de muur, een tapijt dat al gedateerd was toen ‘ie werd aangeprezen in de folder. Geen auto te bekennen. Die blijken een paar kilometer verderop te staan op een industrieterrein. Terwijl hij de sleutels gaat zoeken nemen we plaats op de bank. Rechts van me ligt een stapeltje cd’s. En… krijg nou wat, de bovenste cd. Bob Dylan. Empire Burlesque. Al net zo gedateerd als het interieur, bepaald geen hoogtepunt uit je oeuvre, maar het is beter dan niks. Of Michael Bolton, om maar eens wat te noemen. Die ligt daaronder. Nadat de man minutenlang gerommeld heeft in een koffertje met sleutels, komt hij met een mindere mededeling: de auto is al verkocht.
Dus de zoektocht gaat verder. Via mooie praatjes, gouden horloges, Martin Morero’s, om uiteindelijk vlak bij huis tegen een vriendelijke verkoper aan te lopen. Kortom: ik heb een nieuwe auto. Dezelfde als ik had. En die ouwe? Die gaat inclusief krassen en hoge kilometerstand richting Polen.
Het was in een restaurant. En met restaurants is het net als met kledingwinkels: er is altijd muziek. Soms vraag je je af wat er mis is met stilte. Helemaal als die stilte verdreven wordt door het complete oeuvre van The Beatles op panfluit. Panfluitmuziek mag, maar dan moet je minstens slecht sprekende Chinezen in dienst hebben, een draak bij de ingang hebben staan en laffe loempia’s serveren. Maar het gebeurt echt: een exquise restaurant dat BZN op de muzikale menukaart heeft staan. Het staat quasi chique heel zachtjes op de achtergrond, maar het blijft BZN. En als je BZN hoort kan Piet Veerman nooit ver weg zijn, en als Piet Veerman eenmaal voorbij komt zeilen kan het hele ouevre van The Cats er ook nog wel bij. Op panfluit of niet.
Net zo goed als ik kledingzaken met een te hoog oenk oenk gehalte mijd als de ziekte, zo mijd ik ook restaurants met matige muziek. Bij restaurants met matige muziek hoort namelijk veelal ook een te amicale gastvrouw die ongevraagd bij je tafeltje komt staan tetteren. Berg je dan maar voor het nagerecht, want geheid dat daar een uitklapbaar parasolletje op staat.
Afijn, het was dus in een restaurant. Altijd leuk om tussen het gesmak en geroezemoes door liedjes te raden. Het is een afwijking, ik weet het. Maar als er ergens in de verte een liedje te horen is, wil ik ook weten wat het is. Ik speel het spel vaak met mezelf. Aan een half baslijntje heb ik meestal genoeg. Ik volg de conversatie aan tafel, en ondertussen luister ik met een half oor wat er uit de speakers komt en moet toch minstens binnen een halve minuut voor mezelf het antwoord hebben op wat ik hoor. Dat begint ’s ochtends vroeg al: de wekkerradio gaat, dan volume op standje 10, en binnen een seconde na het wakker worden moet ik weten welk liedje ik hoor.
Maar goed, het was dus in een restaurant. Ik hoorde een liedje en kende het ergens van. Ik gaf mezelf strafpunten toen ik niet binnen het intro wist te raden wie de uitvoerende artiest was. Maar zodra het zingen begon hoorde ik al snel: dit is Het Goede Doel. Normaal gesproken zou ik dan rustig nog een keer de aardappelen opscheppen, maar ik werd gegrepen door het geluid. Oh ja, Alles geprobeerd, zo heette het. Niet een liedje om nog eens een lekkere hap witlof bij te nemen. Of wel. Het is een bitter liedje, met een melancholische melodie. Het bleef in m’n kop hangen. Dat outro. Drie minuten lang treurigheid. Ober, mag ik de ijskaart nog even zien? En ik zag gasten om me heen nog net zo blij kijken als toen BZN nog op stond. En ik bleef maar met het deuntje in m’n hoofd zitten. En vroeg me af wat het toch is met dit nummer. Ik luisterde het thuis nog eens en dwaalde op het wereldwijde web af naar de site van Henk Westbroek. Noem het toeval of niet, maar weer drie klikken verder zag ik de column staan waarmee alles op z’n plek viel.
“Bob Dylan heeft nog nooit 1 slecht liedje geschreven. Dat hij er ook meer dan honderd schreef die ik liever niet hoor staat daar los van. Veel van zijn liedjes vind ik niet zo goed omdat de tekst me niet aanspreekt of de melodie me niet bevalt. Dat ik er toevallig niet warm voor loop is vanzelfsprekend geen verstandige reden om een liedje slecht te vinden. Dat jij of ik bijvoorbeeld ongelovig zijn is tenslotte geen grond om de teksten waarin Bob zijn liefde voor God etaleert minder goed te vinden dan die waarin hij wat minder goddelijk geïnspireerd werkt: God of geen God, het rijmt altijd vlekkeloos! Dat we sommige van zijn melodieën niet onthouden kunnen of dat liever niet willen, is ook zonder betekenis. Zijn deuntjes zijn namelijk nooit slordig in elkaar geflanst en er zit altijd wel ergens een knappe vondst in. Zoals gezegd, Bob Dylan schrijft geen slechte liedjes! Alleen met enige regelmaat liedjes die we niet leuk vinden.
Kortzichtige popcritici hebben de gewoonte om over alles wat ze zelf niet mooi vinden te beweren dat het slecht is. Omdat ik in de vorige zin terloops suggereerde dat 9 van de 10 geharde Bob Dylan recensenten kortzichtig zijn, wil ik dat relativeren door te zeggen dat ze ook wel eens gelijk hebben. Maar zelden als het over Bob Dylan gaat vanzelfsprekend. Behalve dat de meeste liedjes van Bob Dylan beter zijn dan zijn meeste optredens hij is namelijk al jaren onafgebroken op tournee en daar is zijn stem niet beter van geworden- is Bob niet iemand die graag handtekeningen uitdeelt. Ik spreek uit eigen ervaring. En die van de drie bovenbazen van zijn platenmaatschappij die naast me stonden en net als ik ook off konden fucken. Interviews geeft Bob spaarzaam en als hij er al een geeft weet hij het zelden op te brengen er eens even goed voor te gaan zitten. Je wordt er meestal niet veel wijzer van, bedoel ik. Hoewel ik moeiteloos een paar artiesten kan noemen die ik hoger waardeer – Elvis, Mozart, John Lennon, is er niet één waar ik zo’n zwak voor heb als voor Dylan.”
Welkom dus. En als je hier ooit al eens was: welkom terug. En kom nog eens weer. Eigenlijk is dit een omslachtige manier om te zeggen dat ik het leuk vind dat je effe op m'n site komt kijken. Reageer gerust, stuur een MuijsMail of eet een stroopwafel terwijl je het Deense volkslied neuriet.