Radio 538KX Radio
Weblog Beste Bob Muijs Gemist Muijst Wanted Muijsmail
Beste Bob: You Ain’t Going Nowhere

Beste Bob,

Het leven van een muzikant gaat niet over rozen. Althans: dat van de amateurmuzikant. Vanuit je privéjet in een limo stappen en vervoerd worden naar een 5 sterrenhotel, vanuit daar met de taxi naar het dichtstbijzijnde stadion, om aldaar het podium op te klimmen en voor 65.000 uitzinnige fans ‘Hello Amsterdam’ te roepen terwijl je in De Kuip staat: dat kan iedereen wel. Nee, het leven van een amateurmuzikant gaat niet over rozen. Ik kan het weten. Ik ben er namelijk één. Of: eigenlijk was. Afgelopen weekend deed ik mijn laatste optreden. Nog één keer koffers sjouwen, opbouwen, soundchecken, spelen, afbreken, koffers sjouwen, slapen. Kortom: jezelf nog één keer in het zweet werken. Nog één keer cola drinken tot je scheel ziet terwijl om je heen de kroegtijgers langzaam maar zeker dronken worden. Dat klinkt als een goeie avond: er is in ieder geval publiek.

Het laatste optreden eindigde in een deceptie. Ik riep nog ‘Kolham here we come!’ en had eigenlijk beter moeten weten. Wij waren er wel, maar verder kwam er niemand. Toen de eigenaar van de tent geld wilde gaan toeleggen om je binnen te halen, druppelden een paar verdwaalde gasten het dorpshuis binnen. Maar nog altijd waren degenen die op het podium stonden in de meerderheid. Via via hoorde ik dat er twee verjaardagen in het dorp waren. Het was nog het minste excuus in een lange rij redenen voor een geringe opkomst. Elke caféuitbater of zaaleigenaar had zo zijn eigen verklaring: in het dorp verderop was een trekkersfestival; Normaal had gisteren al opgetreden in een plaatselijke tent; het is te koud, te warm of te regenachtig; het is de recessie hè, mensen blijven liever thuis; nee, volgende week is er een kroegentocht: dán gaan de mensen massaal op stap.

Ach, een overvolle kroeg is ook niet alles. In Joure belandden we in een uitpuilend café zonder artiestenuitgang. Je spullen door de mensenmassa naar buiten sjouwen was een onmogelijke opgave: vrede in Afghanistan brengen was een makkelijker missie. En dus namen we nog maar een colaatje. En nog één. En nog één. En werd het maar heel langzaam half 4.

Na Joure volgde Haulerwijk, Groningen, Meppel. O ja, Meppel. Daar bleek de kroegeigenaar in de bak te zitten en het café gesloten. Assen, Bedum, Coevorden, Franeker, Leeuwarden, Wolvega, Drachten, Kubaard, Uithuizen: je komt nog eens ergens. En dus Kolham, de laatste stop van de rit. Nog één keer de stokken op het vel laten vallen; nog één keer op de pedalen staan, nog één keer de bekkens laten schallen, toen viel het doek en was het gedaan.

De karavaan gaat verder en ik sla af. De drumkruk wordt vanaf nu warm gehouden door iemand anders. Terwijl ik op zaterdagavond onder de wol kruip, zetten zij de eerste akkoorden in, staan ze te swingen in pak ‘m beet Spijkerboor, Easterein of Nieuweschans. Charlie de Signier is niet meer. Ik werd vernoemd naar de gitarist uit je band, beste Bob. Niet omdat ik zo goed gitaar speel, maar meer omdat ik op hem schijn te lijken. Of ook zwart haar heb. En nu ik stop, komt hij terug in jouw band. Met een gerust hart berg ik mijn drumstokjes op.

Beste Bob: Not Dark Yet

Beste Bob,

De nacht. De nacht is een deel van de dag, maar maakt de dag ook deel uit van de nacht? Om te beginnen is het donker: voor de meeste mensen een teken om zelf ook het licht uit te doen, de ogen te sluiten en te gaan slapen. Niet voor de nachtbrakers en nachtwakers. Na twaalven treden zij een nieuwe werkelijkheid binnen. Na twaalven begint een nieuwe dag, een dag die niks met overdag te maken heeft. Het is nacht. En de nacht heeft zo z’n eigen regels. Z’n eigen kostgangers. Vrachtwagenchauffeurs. Broodbakkers. Nachtzusters. Studenten die er nog ééntje doen en dan naar huis wankelen. En de mensen die niet kunnen slapen. Zij horen er eigenlijk niet bij, omdat ze het slapen gaan hebben verkozen boven het opstaan.

’s Nachts is het rustig, ’s nachts is het stil. Het enige licht komt van lantaarns en een verdwaalde koplamp in de verte. ’s Nachts geen files of ander oponthoud. Nou ja, behalve van de wegwerkers dan. Rij je overdag over een zoevend nieuw stukje snelweg en je vraagt je af waar dat ineens vandaan komt: bij nacht en ontij zijn ze met gepiep en gesis bezig geweest, hopend op tijd klaar te zijn, anders meldt de verkeersinformatie onverbiddelijk dat het de schuld van de uitgelopen wegwerkzaamheden is dat je nu in de file staat. De eerste file van de dag. Die staat er trouwens steeds vaker al ’s nachts. Overdag vraag je je af waar je al die auto’s laten moet, ’s nachts vraag je je af hoe er ooit zoveel auto’s zijn geweest. Kijkend in de eindeloze verte strekt het zwarte asfalt zich voor je uit. Het is de straf van Den Haag dat je ook dan 120 moet. Maar tenminste 120 kan. De politie vangt nog echte boeven en knijpt een oogje toe als je met 140 voorbij komt. De nachtdieren voelen zich verbonden met elkaar, ook al kennen ze elkaar niet. We dienen allemaal hetzelfde doel: de ogen open houden wanneer dat eigenlijk teveel gevraagd is. De tankstationmedewerker strijkt over z’n hart en deelt een gratis kopje koffie uit, en neemt er zelf ook één. Een nacht zonder caffeine is als het Vaticaan zonder paus.

En dan, als er licht gloort aan de horizon, als het eerste teken van de dag zich aandient, als de rij eindeloze forenzen opdoemt als een metershoge golf in een kabbelende zee, als het lawaai van fietsers, bussen, trams en treinen aanzwelt, dan gaat de nachtbraker naar huis. Er is een eind gekomen aan zijn dag. Morgen weer een nacht.

Beste Bob: Under The Red Sky

Beste Bob,

Ben ik een ouwe lul aan het worden? Onlangs werd een eerste grijze haar gevonden. Gevolgd door een tweede. Kaal worden zit niet in de familie, dus daar maak ik me geen enkele zorgen over, maar de eerste voorbode voor het verworden tot een grijsaard is daar. Zoals dat gaat te beginnen bij de slapen, maar voor je het weet rijzen de grijze haren je te berge. Over slapen gesproken: voorheen vond ik rond het middernachtelijk uur dat de dag net begonnen was, tegenwoordig ben ik al blij als ik de eindtune van Pauw & Witteman haal. En klonk in de kroeg heel onverwachts de bel voor de laatste ronde: nu haal ik de eerste ronde vaak al niet eens meer.

Er is geen ontkomen aan: elke dag is er één dichter bij de dood. Nou ja, eerst is er nog de dertigersdip, dan de midlifecrisis, de penopauze volgt spoedig daarop en dan is het bejaardenhuis wel zo’n beetje in zicht. Daar houden ze je vervolgens net zo lang in leven tot je alle geraniumsoorten overleefd hebt en je jezelf verplicht voelt vrijwillige euthanasie aan te vragen. We worden steeds ouder, maar zijn ook langer oud. Daar zit je dan, in je 24-uurs luier, te wachten op je wekelijkse douche. Lang leve de vooruitgang. Vroeger werd je met moeite oud en ging je snel dood. Nu word je met gemak oud en ga je langzaam dood. Ik weet niet wat beter is.

Ieder mens takelt af. Behalve als je onder de 20 bent. Nog een geluk dat ik me 18 voel. Maar ja, ik kan wel denken dat ik 18 ben, maar een 18-jarige interesseert het al niet eens meer hoe je interessant schrijft, met één s of twee essen en of het intresant of interresant of inturrusant is, dus ik kan wel doen alsof ik 18 ben en roepen ‘haal er eens even een spellingschecker overheen,’ wat –toen ik 18 was- gemeengoed was en volkomen tegen het zere been van de generatie daarboven, die immers niet was opgegroeid met de F7-functie en de Nederlandse taal nog met aap-noot-mies door de strot geduwd had gekregen, maar binnen no time replied de 18-jarige dat het toch niet gaat om hoe je het schrijft als je mekaar maar begrijpt?

Maar wat zeur ik. Ouwe mensen zeuren altijd. Dus wat zeur ik nou over oud worden. Ik sta nog iedere dag fit van lijf en leden op, het bierbuikje heeft zich nog niet aangediend, mijn verstandskiezen komen nu pas door, haaruitval is in de verste verte niet te bekennen, geen reden tot klagen dus. Maar toch maak ik me zorgen. Hoe valt anders te verdedigen dat ik afgelopen weekend meezong met Toto?

Beste Bob: Dreaming Of You

Beste Bob,

De meeste dromen zijn bedrog. Marco zong het ooit al eens. Helaas voor hem bleek de werkelijkheid nog wreder, en spatte zijn droom als een zeepbel uit elkaar. Maar genoeg over Marco. Ik droom namelijk zelden over Marco. Eigenlijk nooit. Des te meer over jou, beste Bob. Ik droomde laatst dat ik naar een concert van je ging, het was in het pasverbouwde Ahoy. Daar hadden ze een knus zaaltje van gemaakt. De tribunes waren gebleven, de zaal was een kwartslag gedraaid zodat er ineens veel minder mensen in konden. Dromen zijn inderdaad weinig realistisch. Evenmin realistisch was dat ik 3 kaarten had weten te bemachtigen voor de voorste rij. Helemaal onrealistisch was dat mijn moeder daarbij was. The Beatles vond ze leuk, daarna is ze afgehaakt. Afijn, we zitten daar met z’n drieën, die derde persoon was mijn vader, alsof ik niemand had kunnen vinden die met me meewilde naar een concert van Bob Dylan, toen we ineens benaderd werden door iemand van de organisatie. We hadden geluk, het lot was op ons gevallen en nu waren we uitverkoren om als VIPS het concert mee te maken. Mijn moeder zei ‘ik blijf hier wel’ dus we sjokten met z’n tweeën achter die belangrijke meneer aan.

Intussen had ik mijn vader ingeruild voor mijn beste vriend, zo gaat dat in dromen, terwijl we de catacomben van het sportpaleis betraden. Er werd ons verteld dat we een plaatsje mochten uitzoeken op het podium, zodat we Bob nog beter zouden kunnen zien. En of we hem maar even wilde volgen. We passeerden een kleedkamer, ik zag de drummer een banaan wegwerken, we liepen door nauwe gangen, trap op, trap af, het werd donker, ik ruilde ondertussen mijn beste vriend in voor de buurvrouw, we gingen linksaf, de buurvrouw bleek toch mijn eigen vrouw, nog een keer linksaf, en toen werd ons meegedeeld: hier nogmaals linksaf, dan komen jullie er vanzelf. We bedankten de man en opgetogen liepen we richting de deur die ons toegang zou geven tot het podium. Ik duwde de deur open, het ding kon trouwens wel een verfje gebruiken; de verf bladderde er vanaf, en het hele oppervlak was bezaaid met stickers die bandjes hadden achtergelaten ter zelfpromotie, ik knipperde met mijn ogen tegen het felle licht en daar stonden we dan… Op de achterste tribune.

In de verte kon ik nog net het podium zien, met daarvoor, op de eerste rij, mijn moeder, terwijl ik nog net liplezend kon zien hoe twee laatkomers vriendelijk vroegen of deze plaatsen nog bezet waren. We waren erin geluisd! Niks VIP plaatsen op het podium, dit waren de allerslechtste plaatsen denkbaar. Maar ik liet mijn humeur niet verpesten, ik was immers bij een concert van Bob Dylan. Ondertussen doofde het zaallicht; een teken dat het concert ging beginnen. Een paar mannen met een snor kwamen het podium op, Bon was er niet bij. Ze pakten alle drie een Spaanse gitaar en begonnen te spelen. Ik zag de mensen naar elkaar kijken en raakte zelf ook in verwarring: waren we wel bij het goede concert? Maar gelukkig, na een kort intermezzo kwam de grote meester het podium opgelopen. Luid applaus steeg op in het akoestisch duidelijk verbeterde Ahoy. De mannen met de Spaanse gitaar bleven staan. De drummer kwam ook het podium op. Hij pakte een paar castagnetten. Was dit een grap? Je kon van Bob veel verwachten, maar toch niet dat hij ineens Spaanstalig gegaan was en met een sombrero op een flamencoconcert ging geven? Het publiek was in verwarring. Ik dacht: hij moet er even inkomen. Na een kwartier werd de vijfde flamenco ingezet. Nu verlieten de mensen massaal de zaal. Bob verliet het podium na twintig minuten, de Spaanse mannen bleven doorspelen.

De volgende ochtend verliet ik nog slaperig mijn bed, sjokte de trap af en ging aan tafel zitten om de krant te lezen. ‘Concert Bob Dylan was een test’ luidde een kop op pagina drie. Bob Dylan was gevraagd door een onderzoeksbureau om mee te helpen met een grootscheepse test. Hoe zouden fans reageren als ze niet kregen wat ze verwachtten? Dat hele flamencogedoe was gewoon een opzetje om het publiek uit te testen. Ik was blij dat ik was gebleven.

Voor de tweede keer die dag opende ik mijn ogen. Nog slaperig verliet ik mijn bed, grinnikend om die vreemde droom, sjokte de trap af en ging aan tafel zitten om de krant te lezen. ‘Bob Dylan komt met kerstalbum’ luidt de kop op pagina 18. Christmas in the heart gaat het album heten, en het komt begin oktober uit. Alle opbrengsten gaan naar een goed doel. Dylan schreef zelf geen nummer voor het album, maar nam bekende kerstklassiekers op als Winter wonderland, Have yourself a merry little christmas en The First Noel.

Ik knijp mezelf in mijn arm om te testen of ik droom. Auw. Ik ben klaarwakker.

Beste Bob: I Was Young When I Left Home

Beste Bob,

Heb jij dan nooit heimwee? Bedoel, als je weer eens staat te spelen in één of ander oord – laat het Milaan zijn, Perth voor mijn part, of Milwaukee, of desnoods Jönköping, of Rotterdam – dat je dan in een split second denkt: gut, ik heb thuis ook nog dat overheerlijke trapistenbier in de koelkast liggen – en meteen daar achteraan: zou er tussen de stapel post nog een leuke brief liggen? En je denkt aan je eigen spullen, je eigen boeken, je eigen kleren in je eigen kledingkast. Kortom: je wil wel weer naar huis.

Niet dat ik het niet leuk vind om ergens anders te zijn, maar het plezier in het vooruitzicht naar een andere plek -met onontdekte hoekjes en gaatjes, planken en laatjes- zit ‘m vooral in zijn eindigheid. Als ik maar weet dat ik na een week of wat weer naar huis mag. Ik heb ooit eens een rondreis van vier weken gemaakt – elke bestemming was voor hooguit een dag of twee, waarna de reis weer werd hervat. Daarmee werd de intrede van de sleur, het gevoel van ‘nu heb ik het hier wel weer gezien’ keer op keer uitgesteld, maar uiteindelijk begon, na een week of 3 en een half, het gevoel toch te knagen: ik wil naar huis terug. Wat overigens een liedje is dat ik zong op de afscheidsmusical in groep 8. Ik wil naar huis terug. Mijn bijdrage was een klagerig ‘aaaaah’ zingen tussen de regels door. Het laatste liedje van die musical weet ik ook nog. ‘Tot ziens, tot ziens, het beste en de groeten, kom een keertje langs of pak de telefoon.’ En je wist dat het niet ging gebeuren. Je beste vriend van de basisschool verdwijnt in het niets, de brievenbus blijft leeg, de blaadjes in de telefoonklapper vergelen tot de nummers onleesbaar zijn geworden. Ach, niet dat je terugwil naar toen, het is meer melancholie. Net zoals ik wel eens droom over het huis waar ik als kind woonde. Van de straat er naartoe, tot de oprit, tot en met elke kamer: ik ken het nog. Maar heimwee, nee.

Heimwee is het niet. Ook nooit gehad. Mijn ouders lieten me rustig een weekje uit logeren gaan. Ik hoefde geen knuffels mee, schreeuwde niet om het dekbed van thuis, jammerde niet dat ik alleen met m’n eigen lego wilde spelen. En toch, als de terugreis dan weer werd aanvaard, was er dat gelukzalige gevoel. Het gevoel: ik ga weer naar huis. Hoewel het mooiste moment dan nog moet komen. Het moment waarop de deur opengaat, je de drempel overstapt en je neus ophaalt. Die geur, die er altijd al was, maar omdat je er altijd bent niet langer ruikt – de geur die je dán ruikt en die uit duizenden geuren herkenbaar is: de geur van je eigen huis. Je bent thuis.

Niet dat het ergens anders niet leuk is, maar een ander huis is toch niet je thuis. Het zijn wel jouw kleren die in de kast liggen, maar het is een andere kast. Die anders ruikt. Met ander wasmiddel in de wasmachine. Misschien hetzelfde scheefhangende schilderij, maar het hangt toch anders scheef dan bij jezelf thuis. Bij een ander denk je: dat zou ik onmiddellijk rechthangen, in je eigen huis denk je: dat ga ik morgen recht hangen. En je legt je voeten op je eigen tafel en kijkt naar je eigen teevee.

Niet dat ik altijd thuis wil zijn: als ik eenmaal thuis ben, wil ik ook wel weer weg. Het weggaan is minstens zo leuk, omdat je weet: over een tijdje kom ik weer thuis. En om thuis te komen moet je eerst weggaan. Afijn, ik ben weer thuis. En nu wil ik wel weer eens een weekendje weg.

Beste Bob: Tell Me That It Isn’t True

Beste Bob,

Wat is waar? Die vraag werd ooit dagelijks door Henk Westbroek gesteld. Als het tenminste Henk Westbroek was en niet zijn imitator Gerard Ekdom. Want what’s real on the radio? Als jongetje stelde ik me vroeger voor hoe de studio eruit zou zien, en nog meer: wat het gezicht achter de stem was. De tijd dat het woord webcam nog niet in de Dikke van Dale stond en muziek nog vanaf de draaitafel kwam. Toen radiomensen nog radiohoofden hadden. Toen radiomensen nog televisieschuw waren. Toen radiomensen nog bij hoge uitzondering met hun radiohoofd in beeld kwamen. Toen je je nog wezenloos schrok als het radiohoofd van een radiomens in beeld kwam. Was dit het gezicht achter de zoetgevooisde stem?

Niet veel later ging de volgende illusie verloren. De DJ die met een stapel platen onder zijn arm de studio binnenwandelt en de eerste alvast scherp zet. Het was niet de tik van de plaat of de CD die oversloeg, maar het systeem dat stokte, waarop de presentator zei: sorry, we kunnen geen muziek draaien, want de computer is gecrasht. Anno 2009 roept de discjockey: ‘Beller nummer 51 wint een scooter!’ en zegt zodra de microfoon dicht is: doe maar de eerste leuke vrouwelijke kandidaat.

Niets is wat het lijkt. Sinds Frank Masmeijer zijn eigen familie een reisje naar de zon liet winnen, heeft de geloofwaardigheid van de televee eveneens een deuk opgelopen. Sorry, je valt even weg, volgens mij gaat er iets mis met de verbinding, ik hoor niks in mijn oortje, onze excuses voor de technische problemen, we zien je wel maar horen je niet, we proberen het later nog eens – en sindsdien is ook de correspondent live bij het Witte Huis niet langer live. Dat Witte Huis op de achtergrond trouwens ook niet, want de wapperende vlag staat al een tijdje stil. En het was midden winter? Toch een tikkie fris in je overhemd, Sjarrel.

De media is slechts een afspiegeling van de werkelijkheid. Je zou zo denken dat de maanlanding daadwerkelijk plaatsvond in de Hollywood Hills en dat de zeezenders gewoon een bandje met meeuwen aan hadden staan. Kan ik nu ook rustig zeggen dat mijn programma’s van tevoren worden opgenomen op een cassettebandje. Niemand die me gelooft.

Beste Bob: Cry A While

Beste Bob,

Ik vraag me af wat er was gebeurd als niet hij, maar jij het was. Of het ook voorpaginanieuws zou zijn. Of CNN het breaking news zou vinden. Of er huilende fans met knuffelberen op diverse kruispunten zouden staan. Of er vier dagen lang clips van je uitgezonden zouden worden op tv. Of je cd’s uitverkocht zouden zijn bij de platenzaak. Of jouw naam de meest gegooglede zoekopdracht van de week zou zijn. Of er een tweede lijkschouwing zou plaatsvinden. Of er iemand zou twitteren: nu heeft hij eindelijk rust.

Maar het meest vraag ik me nog af hoe ik die dag zou doorkomen. ‘Zou je huilen?’ vroeg iemand die zich voorstelde dat niet hij maar jij het was. Ik denk dat ik zou schrikken, maar huilen… nee. Ik denk dat ik verdrietig zou zijn, omdat je er nu niet meer bent, maar huilen… nee. Ik denk dat ik als eerbetoon een cd van je zou opzetten, een clip van je zou kijken, een traan zou voelen opwellen, maar huilen… nee.

En ik pink een traantje weg. Van geluk. Omdat je er nog bent.

Beste Bob: It’s All Over Now Baby Blue

Beste Bob,

Zo begin ik mijn wekelijkse ritueel. Een nieuwe week, een nieuwe bladzijde. Een nieuwe bladzijde in een virtueel dagboek. Over autohandelaren, radioperikelen, de liefde, eten in een restaurant, de economische recessie, nog een keer de liefde, twijfel, hoop, onzekerheid, feesten en partijen. Kortom: de dagelijkse en diepere dingen in het leven. Een dagboek zonder slot. Waarvan ik één ding zeker weet: wie het ook hoort, wie het ook ziet, jij bent het niet. Dat is niet erg. Al lul ik tegen je aan en zeg je niks terug; tegenspreken en moeilijke vragen stellen is er tenminste ook niet bij. Dus kan ik rustig zeggen hoe blij ik met je ben. Je hoort het toch niet. Voor hetzelfde geld noem ik je een klootzak, al voel ik lichte tegenstand om dat daadwerkelijk uit te spreken. Ik ken jou niet, jij kent mij niet. En toch is er ergens dat gevoel van verbondenheid. Het gevoel dat jij mij begrijpt.

Soms denk ik dat ik op je lijk. Dat jij mij bent, en ik jou. Of is mijn denken en mijn doen universeel? Misschien is iedereen uiteindelijk hetzelfde. Voelt elke man wat de buurman ook voelt. En de vrouw… Zou de vrouw waarover je zingt zichzelf herkennen? Zou ze weten dat zij bedoelt wordt, dat zij het is, baby blue? Zou ze zich aangesproken voelen als je zingt You’re gonna make me lonesome when you go? En is het dezelfde vrouw als je zingt I’m sick of love, I’m lovesick?

Misschien voelt ze zich verwant met de vrouw waarover je zingt, de vrouw waarover ik schrijf. En voor een moment vergeet ik dat de rest van de wereld ook mee kan luisteren. Mee kan lezen met wat ik voel, denk, doormaak. Gelukkig is er dan altijd nog de muziek. De muziek die spreekt. Die verwoordt wat ik wel wil, maar niet kan verwoorden. Het is immers een dagboek zonder slot. Soms laat ik me bijna volledig gaan, soms balanceer ik op het randje, soms hou ik het lekker luchtig, soms geef ik een draai aan de werkelijkheid, soms vertel ik de waarheid en soms… ben ik stil. En dan begin jij te zingen.

Beste Bob: Highway 61 Revisited

Beste Bob,

Ik weet niet wat het is. Met autohandelaren. Ze zijn mijn type niet. Dat begint al bij de dealer. Met een tweedehandsauto die je tweederangs hebt gekocht ben je bijna een paria. Je wordt nog net niet uitgestoten, maar het Kom bij de Club gevoel zal je nooit beleven. Je ziet ze denken: dat is er weer zoéén die voor een wissewasje komt. Dus ik vertelde dat de auto wel erg veel olie verbruikte. Na een kort vraag-antwoord-spel trok hij de conclusie. De turbo zou het wel eens kunnen begeven. Daarbij trok hij zo’n gezicht alsof er aan dit leven sowieso geen eer meer te behalen valt, dus ik durfde niet verder te vragen. Ongevraagd begon hij over de kilometerstand. En je moet weten: boven de 200.000 tel je niet meer mee. Ik keek hem aan en las in zijn ogen: zorg dat je van die auto afkomt. Zo snel mogelijk. Ruil ‘m in voor een fiets en rij naar het dichtstbijzijnde ravijn. Een prettige middag verder.

Ik reed terug naar huis en voelde een afstand. Tuurlijk, hij had me al twee ton niet in de steek gelaten, hooguit dacht ‘ie bij 7 graden boven nul dat het -21 was, verder waren we vrienden. Maar niet voor lang meer. De grote queeste naar een nieuwe wagen zou spoedig beginnen. De auto morde. Hikte. Verkeerde versnelling.

Die zoektocht begon de zaterdag erop. Liever de dealer, maar dan tweedehands. En dan beland je al gauw in het niemandsland van schimmige bedrijven als Autohandel Favoriet, Autobedrijf Vogelzang en De Zwaan Inkoop & Export. Waar dat ene krasje op jouw lak je al bijna tot derderangs burger in z’n ouwe aftandse aso rammelbak degradeerde, daar vraag je je bij zoveel butsen, krassen en deuken af of er eerste eigenaren zijn die kunnen rijden. Met kilometerstanden waar de mijne nog van moet dromen. Het volgende moment wordt je besprongen door Martin Morero, die ongevraagd zijn verkoopverhaal doet bij de auto waar je toevalligerwijs op dat moment bij staat. ‘Ja, nee, prima wagen, prachtig karretje vind ik zelf, m’n schoonvader heeft er ook zoéén, puik boodschappenwagentje hoor, niks mee aan de hand, strak in de lak, nooit problemen mee gehad.’ Als je vervolgens vraagt naar de kilometerstand drijft een eerste wolkje aan de strakblauwe hemel voorbij. ‘Ja, er is iets met het display aan de hand geweest, dus er staat wel 160.000, maar dat kan ook 170 of 180 zijn. Maar die motoren kunnen dat hebben hoor. Ik ken er één die heeft 4 ton gelopen, zonder een centje pijn.’ Terwijl hij zijn lofuitingen voortzet, zie ik dat de bumper aan de onderkant overgespoten is, blijkt een achterlicht aan gruzelementen te liggen en als ik alleen al kijk naar de antenne breekt ‘ie af. Ondertussen wordt Martin gebeld. ‘Doe ik normaal gesproken nooit hoor, maar deze moet ik even nemen.’ De drie daaropvolgende keren dat hij gebeld wordt door z’n schoonvader neemt ‘ie ook op. Mijn vader en ik kijken elkaar aan: wegwezen! En dus maken we een proefritje.

Op het dashboard beginnen een paar lampjes op te lichten die normaal gesproken uitnodigen tot een bezoek aan de vluchtstrook. Ik probeer het asbakje te sluiten, waarbij het klepje spontaan afbreekt. Máár, zo zeggen we tegen mekaar: mooie kleur d’r op. Dat is vaktaal voor: geen idee waarom iemand ooit op het idee is gekomen om deze kleur te bestellen, maar we doen net of het prachtig staat. Bij terugkomst zeggen we er nog even over na te denken en we rijden weg.

Ons volgende adres ligt middenin een woonwijk. De navigatie stopt voor een deur waarachter ik van alles vermoed, behalve een autobedrijf. Toch hangt er een bordje boven met een auto erop geschilderd. Als we de drempel overgaan belanden we in de seventies. Eikenhouten meubelen, vergeelde foto’s aan de muur, een tapijt dat al gedateerd was toen ‘ie werd aangeprezen in de folder. Geen auto te bekennen. Die blijken een paar kilometer verderop te staan op een industrieterrein. Terwijl hij de sleutels gaat zoeken nemen we plaats op de bank. Rechts van me ligt een stapeltje cd’s. En… krijg nou wat, de bovenste cd. Bob Dylan. Empire Burlesque. Al net zo gedateerd als het interieur, bepaald geen hoogtepunt uit je oeuvre, maar het is beter dan niks. Of Michael Bolton, om maar eens wat te noemen. Die ligt daaronder. Nadat de man minutenlang gerommeld heeft in een koffertje met sleutels, komt hij met een mindere mededeling: de auto is al verkocht.

Dus de zoektocht gaat verder. Via mooie praatjes, gouden horloges, Martin Morero’s, om uiteindelijk vlak bij huis tegen een vriendelijke verkoper aan te lopen. Kortom: ik heb een nieuwe auto. Dezelfde als ik had. En die ouwe? Die gaat inclusief krassen en hoge kilometerstand richting Polen.

Beste Bob: It’s All Good

Beste Bob,

Het was in een restaurant. En met restaurants is het net als met kledingwinkels: er is altijd muziek. Soms vraag je je af wat er mis is met stilte. Helemaal als die stilte verdreven wordt door het complete oeuvre van The Beatles op panfluit. Panfluitmuziek mag, maar dan moet je minstens slecht sprekende Chinezen in dienst hebben, een draak bij de ingang hebben staan en laffe loempia’s serveren. Maar het gebeurt echt: een exquise restaurant dat BZN op de muzikale menukaart heeft staan. Het staat quasi chique heel zachtjes op de achtergrond, maar het blijft BZN. En als je BZN hoort kan Piet Veerman nooit ver weg zijn, en als Piet Veerman eenmaal voorbij komt zeilen kan het hele ouevre van The Cats er ook nog wel bij. Op panfluit of niet.

Net zo goed als ik kledingzaken met een te hoog oenk oenk gehalte mijd als de ziekte, zo mijd ik ook restaurants met matige muziek. Bij restaurants met matige muziek hoort namelijk veelal ook een te amicale gastvrouw die ongevraagd bij je tafeltje komt staan tetteren. Berg je dan maar voor het nagerecht, want geheid dat daar een uitklapbaar parasolletje op staat.

Afijn, het was dus in een restaurant. Altijd leuk om tussen het gesmak en geroezemoes door liedjes te raden. Het is een afwijking, ik weet het. Maar als er ergens in de verte een liedje te horen is, wil ik ook weten wat het is. Ik speel het spel vaak met mezelf. Aan een half baslijntje heb ik meestal genoeg. Ik volg de conversatie aan tafel, en ondertussen luister ik met een half oor wat er uit de speakers komt en moet toch minstens binnen een halve minuut voor mezelf het antwoord hebben op wat ik hoor. Dat begint ’s ochtends vroeg al: de wekkerradio gaat, dan volume op standje 10, en binnen een seconde na het wakker worden moet ik weten welk liedje ik hoor.

Maar goed, het was dus in een restaurant. Ik hoorde een liedje en kende het ergens van. Ik gaf mezelf strafpunten toen ik niet binnen het intro wist te raden wie de uitvoerende artiest was. Maar zodra het zingen begon hoorde ik al snel: dit is Het Goede Doel. Normaal gesproken zou ik dan rustig nog een keer de aardappelen opscheppen, maar ik werd gegrepen door het geluid. Oh ja, Alles geprobeerd, zo heette het. Niet een liedje om nog eens een lekkere hap witlof bij te nemen. Of wel. Het is een bitter liedje, met een melancholische melodie. Het bleef in m’n kop hangen. Dat outro. Drie minuten lang treurigheid. Ober, mag ik de ijskaart nog even zien? En ik zag gasten om me heen nog net zo blij kijken als toen BZN nog op stond. En ik bleef maar met het deuntje in m’n hoofd zitten. En vroeg me af wat het toch is met dit nummer. Ik luisterde het thuis nog eens en dwaalde op het wereldwijde web af naar de site van Henk Westbroek. Noem het toeval of niet, maar weer drie klikken verder zag ik de column staan waarmee alles op z’n plek viel.

“Bob Dylan heeft nog nooit 1 slecht liedje geschreven. Dat hij er ook meer dan honderd schreef die ik liever niet hoor staat daar los van. Veel van zijn liedjes vind ik niet zo goed omdat de tekst me niet aanspreekt of de melodie me niet bevalt. Dat ik er toevallig niet warm voor loop is vanzelfsprekend geen verstandige reden om een liedje slecht te vinden. Dat jij of ik bijvoorbeeld ongelovig zijn is tenslotte geen grond om de teksten waarin Bob zijn liefde voor God etaleert minder goed te vinden dan die waarin hij wat minder goddelijk geïnspireerd werkt: God of geen God, het rijmt altijd vlekkeloos! Dat we sommige van zijn melodieën niet onthouden kunnen of dat liever niet willen, is ook zonder betekenis. Zijn deuntjes zijn namelijk nooit slordig in elkaar geflanst en er zit altijd wel ergens een knappe vondst in. Zoals gezegd, Bob Dylan schrijft geen slechte liedjes! Alleen met enige regelmaat liedjes die we niet leuk vinden.

Kortzichtige popcritici hebben de gewoonte om over alles wat ze zelf niet mooi vinden te beweren dat het slecht is. Omdat ik in de vorige zin terloops suggereerde dat 9 van de 10 geharde Bob Dylan recensenten kortzichtig zijn, wil ik dat relativeren door te zeggen dat ze ook wel eens gelijk hebben. Maar zelden als het over Bob Dylan gaat vanzelfsprekend. Behalve dat de meeste liedjes van Bob Dylan beter zijn dan zijn meeste optredens hij is namelijk al jaren onafgebroken op tournee en daar is zijn stem niet beter van geworden- is Bob niet iemand die graag handtekeningen uitdeelt. Ik spreek uit eigen ervaring. En die van de drie bovenbazen van zijn platenmaatschappij die naast me stonden en net als ik ook off konden fucken. Interviews geeft Bob spaarzaam en als hij er al een geeft weet hij het zelden op te brengen er eens even goed voor te gaan zitten. Je wordt er meestal niet veel wijzer van, bedoel ik. Hoewel ik moeiteloos een paar artiesten kan noemen die ik hoger waardeer – Elvis, Mozart, John Lennon, is er niet één waar ik zo’n zwak voor heb als voor Dylan.”

« Nieuwere berichten
Weblog      Beste Bob      Muijs gemist      Muijst wanted      Contact
© Martijn Muijs 2012