[photopress:gestamptemuisjes.jpg,thumb,pp_image]
Gestampte muisjes, niet te verwarren met gestampde muisjes. Leg aan een gemiddelde 15-jarige de vraag voor om gestampte muisjes te spellen, en ze spellen naar alle waarschijnlijkheid gestampde muisjes, maar naar alle waarschijnlijkheid sgrijfen se ook nar ale waarsgijnlijkhijt. Het onderwerp gestampde muisjes (die dus grammaticaal gezien een postzegel op hun rug geplakt hebben gekregen, vast familie zijn van de ooraangenaaide muizen, zelf nar ale waarsgijnlijkhijt op transport zijnde naar het volgende biomedische tussenstation, en die -omdat de TNT het ook niet makkelijk heeft nowadays- zich dus een postzegel aangenaaid hebben gekregen, dat scheelt likken) laten we bij deze even voor wat het is. Gestampt dus, want de stam van stampen is stamp en de p bevindt zich in ‘t kofschip, of het fokschaap zo u wilt, en dus stam + t. Of in dit geval: stamp plus t. Eén en ander kunt u niet nalezen op teletekstpagina 367, raadzamer is in dit geval een vierdejaarsleerling van de pabo te raadplegen, en het dan precies au contraire te doen. En hoe u dat moet doen vraagt u dan weer aan een doorgewinterde lerares Frans, niet te verwarren met een Franse lerares.
Trouwens. Even een vraag tussendoor. Wanneer was de laatste keer dat u een muis heeft gestampt? In mijn geval zal dat toch alweer een jaar of wat geleden zijn. Het was in elk geval in het tijdperk voordat de poes werd gestampt. Dat gebeurde naar ik mag aannemen door een voorbijrazende auto, maar een passerende trein kan het ook geweest zijn: de toedracht zal ik nooit te weten komen, aangezien Wally (oh, had ik al verteld dat ze Wally heette en vernoemd is naar charmezanger Eddy Wally? Nee? Ze heette Wally en is vernoemd naar charmezanger Eddy Wally. Het leek me logischer het poesje Wally te noemen en haar broer, een kater dus, Eddy dan andersom) van de ene op andere dag spoorloos verdween. Tot die tijd, met name tijdens de wat warmere maanden van het jaar, lag er voor de achterdeur en heel soms achter de voordeur wel eens een muisje. Ik twijfelde of er wel voldoende voer in het kattenbakje had gezeten, maar het hoopje voer was bijkans onaangeroerd, wat me meteen aan het twijfelen bracht over de kwaliteit van de Lidl-grootverpakking. Zo likkebaardend als die poezen in de Whiskasreclame had ik de viervoeters in mijn nabijheid sowieso nog nooit gezien, misschien dat ze daarom maar buiten de deur aten. Maar ik werd ruw gewekt uit mijn existentiële poezenvragen. Er bewoog iets. Geen vloeiende beweging, meer schokkend. Wat ik te zien kreeg schokte ook mij: het muisje was nog niet overleden. Levend kon ik het echter ook bepaald niet noemen. In poezenexistentialisme was het waarschijnlijk al te ver heen om nog als interessante prooi aangemerkt te kunnen worden. Wat dat betreft kunnen katten zich erop voorstaan de penoze uit het dierenrijk te zijn: meppen tot het half dood is, eventjes het slachtoffer op adem laten komen, laten aansterken, en als het zichzelf dan voldoende heeft opgelapt om iets van weerstand te kunnen bieden – hoppa, de volle laag erover heen. En dan ongeïnteresseerd weglopen. Of ze denken dat die vierkazenpizza van gisteravond toch niet toereikend is geweest voor de Godfather (eerbiedig de hand die u voedt) en werpen bij wijze van dank en een klein spoortje van protest wegens het niet mogen meedelen in de vierkazenpizzavreugde het muisje voor jouw voeten. There you go, it’s all yours. Tja, daar sta je dan. Terwijl het muisje kronkelt. Al snel zie je: laten leven is geen optie. Dus valt langzaam laten doodgaan ook af. De pil van Drion, die ze vast hebben getest op muizen, ligt niet in mijn medicijnenkastje, dus loop ik maar naar de schuur voor het groffere geschut. In een soort van instinct pak ik een schep en bedenk me dat het beestje uit zijn (of is het een haar?) lijden moet verlossen. So far, so good, één team, één taak, landmacht here I come. Maar dan sta ik opnieuw oog in oog met het hulpeloze beest en wordt mijn verplegersgeweten op de proef gesteld. Kan deze patiënt nog gered worden? Zwachteltje erom, drie maal daags een blokje kaas en het zal wel weer gaan. Maar ik zie dat het niet gaat. En ook die schep lijkt me ineens een minder effectief wapen: ik zal ermee plat op de grond moeten slaan, daarbij zelf bukkend naar de grond en dus richting het object dat ik nu juist liever niet wil raken en vooral niet wil zien in de verplettende val van het tuingereedschap. Dus hef ik in een soort van reflex mijn rechtervoet op, en stamp erop.
Ik heb vaker last van muizen gehad. Niet dat ze achter de plinten zaten: het waren exemplaren in gevangenschap. In een bakje. Iets zoals een aquarium, maar dan zonder water. Een soort van tussenstation tussen het konijn en de cavia. Twee stuks. Zwart waren ze. De namen die ik ze gegeven hebben weet ik niet meer. Het zal ongetwijfeld niet veel poëtischer dan knabbel en babbel zijn geweest. Op mijn slaapkamer. In een bakje. Met zo’n molentje. Waar ze dan leuk in kunnen lopen, zodat hun territorium toch nog oneindig lijkt. In een slaapkamer. Waar je wil slapen. Als de muizen in het molentje gaan. Terwijl jij de slaap wil vatten. Gaan zij rondrennen in hun molentje. Jij wil slapen. Zij niet. Skwiek skwiek skwiek. Onverenigbare combi, al dacht de smeeroliegigant daar heel anders over. Dan ging het een weekje goed. Hoorde je alleen nog skw skw skw. Maar na een week, misschien twee, klonk het weer in het holst van de nacht. Skwiek skwiek. Gek werd je er van. Kon ze wel de nek omdraaien. Of lekker met hun hoofdje tussen dat molentje en dan van je skwiek skwiek. Of gewoon domweg met je schoen erop gaan staan. Maar ja. Ik was nog een kind en vol onschuld, dus leed ik slapeloze nachten en deden zij van skwiek skiek. Wat ze sowieso nooit langer volhielden dan een jaar of wat. Dan kregen ze steevast een bult op hun rug. ‘Ja, dat is een bult op zijn rug,’ zei de dierenarts, een open deur intrappend. Dat had ik zelf ook wel gezien. Het woord kanker had ik nog niet vaak in mijn leven gehoord, en de dierendokter waagde zich er ook niet aan. Hij zou kijken wat hij eraan kon doen. Diezelfde dag ging Mission Muis van start onder de operatielamp. Mijn ouders betaalden uit dierenliefde voor mij een operatie waar de afloop eigenlijk al van vaststond. Ik wachtte de volgende dag de uitslag gespannen af. Op mijn slaapkamer was het stil. Ik miste het geswiek. Dat geluid zou niet meer terugkeren. Mijn vader had me er al op voorbereid. Dat het ook wel eens minder leuk zou kunnen aflopen dan ik had gehoopt. Het eindverslag kwam niet lang daarna. De operatie was geslaagd, maar de patiënt overleden. Of de dierenarts had per ongeluk het bakje laten vallen, de muis was op de grond gekletterd en de assistente vroeg nog ‘waar dan?’ maar zag bij haar achterwaartse manoeuvre het object van haar zoektocht over het hoofd en plette het beestje vakkundig tussen schoenzool en tegelvloer. Kan ook.
[ Wil jij het weblogwoordvanvolgendeweek bepalen, laat 'm dan achter in de comment! ]



