Column: Dodenherdenking

4 mei, 8 uur. Het is ieder jaar weer een enorme opgave, die Dodenherdenking. Voor je het weet denk je aan iets heel anders. Vorig jaar moest ik nog enorm mijn best moeten doen om niet te denken aan de verdronken vluchtelingen die we van Rikko Voorberg moesten herdenken. Dit jaar zijn het de slachtoffers van Nederlandse militairen in Nederlands-Indië die heus niet allemaal zulke lieverdjes waren – die militairen bedoel ik dan. De actiegroep Geen4meiVoorMij durfde het zelfs aan om de dodenherdenking racistisch te noemen, omdat we alleen witte mensen herdenken. Namens de ruim 100.000 vermoorde Nederlandse Joden wil ik dan ook mijn excuses maken voor het feit dat ze blank waren.

Ik ga proberen er niet aan te denken. Maar het werkt als met een roze olifant: probeer maar eens niet aan een roze olifant te denken als iemand zegt dat je niet aan een roze olifant mag denken. Gelukkig is er geen gedachtenpolitie die om 8 uur je hoofd binnen marcheert om te controleren wat je allemaal denkt. En dus zijn er mensen die tijdens de twee minuten willen denken aan gestorven dierbaren. Van ver na 1945 en door geen enkele oorlog omgekomen, maar gewoon door een hartstilstand. Ook dat mag. Van mijn part denk je aan je dooie kat, je favoriete pizza, of daadwerkelijk aan roze olifantjes. Maar hou mij erbuiten. Ik wil niet denken aan omgekomen vluchtelingen, aan moslims die worden gediscrimineerd, aan kinderen van NSB’ers die het ook niet makkelijk hadden of Duitse soldaten die niet vrijwillig zijn gesneuveld. Het zijn een paar voorbeelden van gedachtensprongetjes die in de afgelopen jaren rond 4 mei werden geuit. Maar waarom dan niet ook de genocide in Srebrenica? Of die in Rwanda? En de hongersnood in Afrika? Of de inquisitie in de middeleeuwen? Allemaal ook heel erg, toch?

Daar wil ik dus allemaal niet aan denken. Ik wil om 8 uur denken aan datgene waar de Nationale Dodenherdenking voor is opgericht: de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Waarom? Omdat datgene wat de nazi’s hebben gedaan met niets te vergelijken is in de historie. Zo omvangrijk – 6 miljoen Joden die op fabrieksmatige wijze werden uitgeroeid. Vrouwen, kinderen, invaliden, maar ook gezonde mensen; ze moesten allemaal verdwijnen, enkel om het simpele feit dat ze Joods waren. Zo gruwelijk – als minder dan vee werden ze behandeld en vervoerd in wagons naar de slachtbank. Van alles beroofd – vrijheid, bezittingen, familie en tenslotte; het leven. En zelfs na hun dood nog bestolen: de gebitten van lijken werden ontdaan van hun gouden tanden. Zo wreed – Joden werden niet alleen slachtoffer, maar ook tot dader gemaakt. Ze moesten zelf maar bepalen wie er op transport ging, als het vooraf opgegeven aantal maar klopte. Moesten hun vrienden, familie en lotgenoten zelf naar de gaskamers leiden om ervoor te zorgen dat alles ordelijk en rustig zou verlopen. Moesten zelf de lijken opruimen. Moesten zelf de lichamen verbranden. De nazi’s keken enkel tevreden toe.

Daarom. En omdat we erbij waren. Wij, Nederlanders. Daar waar de Duitsers decennialang gebukt gingen onder immense schuldgevoelens, leken wij Nederlanders te denken dat ons halve land uit verzetshelden had bestaan. De werkelijkheid is dat de meeste mensen de andere kant op keken, niets deden, hun eigen hachje probeerden te redden. Of erger: als agent meehielpen met het opsporen van Joden, als NS-medewerker de treinen keurig op tijd lieten vertrekken naar Westerbork. De weinige Joden die terugkeerden moesten toezien hoe hun huizen waren ingepikt. Hun verhalen werden niet geloofd. Werden toegesnauwd dat wij Nederlanders het in de oorlog ook niet gemakkelijk hadden gehad en dat ze dus niet zo moesten zeuren.

En zo kijken we nu nog steeds de andere kant op. Denken blijkbaar liever aan iets anders. ‘Opdat we niet vergeten,’ werd er ooit gezegd, en lijken het te zijn vergeten. ‘Dit nooit weer,’ was die andere leus, en vergaten voor het gemak dat het al zo veel eerder was gebeurd. In Engeland (in het jaar 1189), in Zuid-Limburg (1309), in Portugal (1506), Rusland (eind 19e eeuw tot begin 20e eeuw), in Oekraïne (1919-1920). Als we echt iets zouden menen van die kreten, is het vast niet teveel gevraagd om er twee minuten per jaar bij stil te staan. Ik denk er het mijne van. En probeer ondertussen die roze olifant uit mijn gedachten te bannen.