Column: E.

Voor Het Kontakt Harderwijk schrijf ik eens in de 2 weken een column. Harderwijk is sinds 2010 mijn woonplaats, en in deze column schrijf ik over die stad of de directe omgeving. Deze column verscheen op 29-11-2017.

Ik las in de krant dat Assad op bezoek was bij Poetin. ‘Laten we het bloedvergieten in Syrië stoppen,’ zei Assad, eraan voorbijgaand dat hijzelf was begonnen. Nu IS zo goed als verslagen was wilden hij en Poetin de vrede herstellen. En hun macht, bromde ik. Ik dacht aan E. en zijn gezin. Die waren hier nog geen vier jaar, en het beleid in Nederland schrijft voor dat als er binnen 5 jaar vrede is in het gebied waar je vandaan komt, je terug moet.

Ik leerde E. kennen via Vluchtelingenwerk, waar ik me twee jaar geleden aanmeldde als vrijwillige taalcoach. Ze vroegen of ik liever een analfabeet wilde of iemand die de taal al wat beter sprak. Ik had het liefst het tweede. En werd gekoppeld aan de 28-jarige E. Hij sprak geen woord Nederlands. Nou ja, één woordje dan. ‘Thee?’ vroeg hij nadat we kennis hadden gemaakt. Maar ik had liever koffie. Ik vroeg hem of hij misschien een beetje Engels kon. ‘No,’ was zijn antwoord.

Die eerste maanden verliepen nogal stroef. We spraken met handen en voeten. E. was sowieso weinig spraakzaam. Ik probeerde hem uit te leggen wat het verschil was tussen een bad en een bed, en waarom het eerste in een badkamer stond, maar het tweede niet in een bedkamer.  Zo af en toe vertelde hij me eens wat over Syrië. Dat hij uit de buurt van Aleppo kwam. We zochten het op via Google Maps. Er was weinig te zien. Hij werkte daar als automonteur. Maar er kwam ruzie in Syrië. Zo noemde hij dat. Het woord oorlog kende hij niet. Zijn broers waren ook gevlucht, en zaten in Zweden en Engeland. Hij werd via wat omzwervingen ineens Harderwijker. Waar zijn vader en moeder waren en of ze nog leefden durfde ik niet te vragen. Ik was er niet om hem uit te horen, maar om de taal te leren. En wat een aanmaning was. En dat je brieven die je niet begreep niet zomaar in de kast moest leggen bij de andere brieven die je niet begreep. Dat er in Nederland allemaal regeltjes waren. En regeltjes voor als je die regeltjes niet nakwam. Hij wilde graag werken. Als automonteur. Maar dat mocht niet. Eerst moest hij de taal leren.

Ik had er een hard hoofd in. Ik hoorde hoe weinig mensen slaagden voor het examen. Hij haalde het inderdaad niet. Daarna kwam er een cursus van 10 weken waar hij steeds heen moest op woensdag. Waarom wist hij ook niet precies. Hij hoopte nog steeds dat hij bij een garage kon gaan werken. Ondertussen maakte hij pizza’s bij de plaatselijke pizzaboer. En duurde de oorlog in Syrië voort. Ik vroeg hem of hij ooit terug wilde. ‘Hier is goed. Maar als vrede ik jou Damascus laten zien’ zei hij. Dat ontroerde me.

Toen ik afgelopen week weer met hem wilde afspreken stuurde hij me een berichtje. ‘hallo morgen Ik ga naar Putten nieuw werk autogarage. 5 dag in de week. Werk.’ Ik was blij. En hoopte dat hij nog lang mocht blijven.