Column: Mama

Voor Het Kontakt Harderwijk schrijf ik een tweewekelijkse column. Deze column verscheen op 26-09-2018. 

Het is natuurlijk niet netjes om het gesprek van het tafeltje naast je af te luisteren, maar er was gewoon geen ontkomen aan. Zelfs vier tafels verderop kon ik ze nog verstaan. Vader en moeder met hun dochter, leek me. Die laatste hoorde ik toen ze net binnen kwamen zeggen: ‘Mama, is het dan wel goed als ik volgende week zondag bij jullie blijf slapen, mama?’ Moeder reageerde niet onvriendelijk, maar toch een tikje afgemeten: ‘Dat hebben we net al besproken. Ik zei dat dat goed was.’ Hun dochter, die ze meenamen naar een tafeltje helemaal achterin de zaak, leek me, hoe zeg ik dat netjes, niet helemaal honderd. Ze woonde op ’s Heeren Loo, of zoiets, dacht ik.

Eenmaal gezeten aan hun tafeltje ging de conversatie verder. Of eigenlijk was het meer een monoloog. Iedere zin steevast voorafgegaan door ‘mama,’ en er ook mee afgesloten. Plots veranderde de toon, dochter zette een klagerig, bijna huilerig stemmetje op.  Ze liet weten dat haar arm zo zeer deed. ‘Mama, ik kon er gewoon niet van slapen, mama.’ Mama: ‘nee.’ ‘Mama, het doet echt heel zeer hoor, mama.’ Mama: ‘ja.’ Vader had ondertussen een krant gepakt en hield zich grotendeels afzijdig. ‘Mama, het doet echt zo’n pijn, mama, m’n arm, mama. Er moet echt een dokter naar komen kijken, mama. Mama, straks is het heel erg, mama. Mama, ik kan aan niks anders meer denken, mama.’ Moeder reageerde met ‘ja,’ of ‘hm.’

Het gesprek werd onderbroken door de ober die een bestelling kwam opnemen. Ik kon haar niet zien, want ze zat met de rug naar me toe, maar ik hoorde aan haar stem hoe het gezicht van de dochter opklaarde toen ze een drankje bestelde en ook nog iets van een ijscoupe. Maar de ober was nog niet verdwenen of ze verviel in het oude patroon. ‘Mama, ik kan het niet meer verdragen, mama. Mag ik een aspirientje, mama?’ Nu keek haar vader op van zijn krant en reageerde. ‘Je kan niet zomaar een aspirientje nemen, het is geen snoepgoed.’ ‘Nee, dat weet ik wel, papa, dat weet ik heus wel. Maar papa, wat kan er dan gebeuren, papa? Ga je dan dood, papa?’ Ondertussen zat ik zwijgend een broodje te eten, en dacht aan hoe dit de hele dag door zou gaan. Ineens begreep ik waarom ze helemaal achterin de zaak waren gaan zitten. Waarom ze hun dochter met de rug naar iedereen toe hadden gezet. Zo zouden de mensen niet te veel last van ze hebben.

Die gedachte ging me door merg en been. De gedachte erna was er voordat ik hem kon tegenhouden. Het leek me zelfs moeilijk om van dit kind te houden. Natuurlijk, het was mijn kind niet en als dat wel zo was zou ik er ongetwijfeld van hebben gehouden, maar toch. Het liefst had ik willen opstaan, naar deze ouders toegaan en gezegd hebben hoeveel bewondering ik voor ze had. Of gewoon alleen maar even een hand op hun schouder leggen, zonder iets te zeggen. Een bemoedigend knikje geven bij het weggaan.

Maar ik deed het allemaal niet.