Into the Groef: kapotte radio

8255611-broken-analog-radio-deviceInto the Groef is een maandelijkse column voor de website nieuweplaat.nl. Deze column werd gepubliceerd in januari 2014.

Een man van een jaar of 40 loopt de plaatselijke elektronicazaak binnen. Op zijn gezicht een uitdrukking die ergernis verraadt. Onder zijn arm een doos met op de zijkant een afbeelding van datgene wat zich hoogstwaarschijnlijk binnenin bevindt: een radio. Als hij binnen loopt heeft hij geen oog voor de beeldschermen die zich over de lengte van de zijwand uitstrekken. Allemaal vertonen ze hetzelfde beeld, de één wat scherper, feller, roder dan de ander. Hij ziet het niet. Ook de gadgets –mp3-spelers, tablets- die zijn uitgestald in de vitrine aan de andere kant ontgaan hem. Hij loopt rechtstreeks naar de balie, die zich recht tegenover de ingang bevindt. De medewerker van de plaatselijke Witgoed & Herrie helpt een andere klant. Verderop staat een tweede medewerker een wasdroger aan te prijzen. ‘Ik heb hem zelf ook,’ hoort hij hem zeggen. Terwijl de vrouw voor hem afrekent trommelt hij met z’n vingers op de doos. Het feit dat hij moet wachten op de klant voor hem had hem normaal gesproken niet uit z’n humeur gebracht, maar nu er toch al irritatie in hem schuilt windt hij zich er des te meer over op. ‘Schiet op’ mompelt hij onverstaanbaar. De medewerker achter de kassa kijkt hem verontschuldigend maar glimlachend aan. ‘Bonnetje erbij?’ vraagt hij terwijl de vrouw haar portemonnee opbergt. ‘Eh, ja, doe maar,’ zegt de vrouw, en graait haar portemonnee weer uit haar tas. Als de portemonnee, nu met bon, voor de tweede keer in haar tas verdwijnt schuift hij net iets te snel naar voren. Hij duwt de vrouw half aan de kant, die verstoord opkijkt maar niks zegt.

‘Wat kan ik voor u doen’ vraagt de medewerker vriendelijk. Omdat hij zo lang moest wachten, althans zo voelde het, buitelen zijn woorden over elkaar heen naar buiten, vechtend om voorrang. ‘Ja, ik heb deze radio dus nieuw gekocht, hier, ik heb de aankoopbon nog, ziet u wel, en nu, nog geen driekwart jaar later, begint ie ineens rare geluiden te maken, terwijl dit toch werd aangeprezen als de beste in zijn klasse, absoluut degelijk, van Duitse makelij nota bene, hoe zeggen ze dat ook alweer, Grundigkeit ofzo, hoe dan ook ik weet nog precies wat die verkoper zei, hij zei ‘ik heb hem zelf ook’ dus toen heb ik hem maar genomen, maar nog geen jaar later begeeft dat ding het, nou dan hoef ‘m niet meer als het zo moet.’

Heel even is het stil. De tweede medewerker die uitleg staat te geven bij de wasdrogers en de klant draaien synchroon hun hoofd zijn kant op. Winkelmedewerker 1 schraapt kort zijn keel. ‘Tja, dat is vervelend. Maar hij maakt rare geluiden zei u? Wat voor geluiden precies?’
‘Ja eh,’ begint de man ineens te stamelen, ‘dat is nogal lastig te zeggen. Het gaat van eh heel hoog naar heel laag. Alsof hij de zender niet goed kan ontvangen, terwijl, ik heb het nog nagekeken in het boekje, ik hem precies zo geprogrammeerd heb zoals voorgeschreven.’

‘Moment, ik doe hem even in het stopcontact, dan kunnen we het samen beluisteren,’ zegt de medewerker. Als hij het apparaat aanzet speelt er zacht een muziekje uit de speaker. ‘Ik zet hem wat harder,’ en hij draait aan de volumeknop, maar behalve het toenemende volume gebeurt er niks. De tweede medewerker bij de wasdrogers verheft zijn stem. ‘Deze is als meest betrouwbare uit de test gekomen.’

‘Mij valt eerlijk gezegd niks op,’ zegt de medewerker achter de balie. De klant merkt dat hij te hoog heeft ingezet en schuifelt nerveus heen en weer over de vloerbedekking. ‘Ja, nee, dat zul je altijd zien: nu doet ie het gewoon natuurlijk.’ De medewerker kijkt nog eens aandachtig naar het apparaat, klopt op de achterkant als een bouwvakker die luistert of een muur dragend is of niet om zijn deskundigheid te benadrukken, draait de radio nog eens om en zegt dan: ‘Weet u wat, als u ‘m hier een weekje achter laat dan zal ik er eens uitgebreid naar kijken, luisteren, desnoods helemaal uit elkaar halen om er zeker van te zijn dat er niks aan mankeert.’ De klant haalt opgelucht adem. Hij is blij dat hij in ieder geval serieus wordt genomen. ‘Goed, afgesproken, dan kom ik over een week weer’ zegt hij.

Een week later. De deur van de plaatselijke elektronicazaak klingelt. De man van de radio komt weer binnen. Zijn tred is minder gehaast dan de week ervoor. Eerder trefzeker. Licht. Goedgehumeurd loopt hij richting de balie en kijkt in het voorbijgaan schuin opzij naar de rij plasmatelevisies. Dan vestigt hij zijn blik op de toonbank. Dezelfde medewerker als vorige week. En geen klanten. Hij is meteen aan de beurt. ‘Daar ben ik weer,’ zegt de man. De medewerker kijkt hem even vragend aan. ‘Ja?’ Er verdwijnt iets van de zekerheid waarmee hij zojuist nog binnenkwam. ‘Ik kom voor de radio. Die zulke rare geluiden maakte. U zou er naar kijken.’ ‘Ach, natuurlijk,’ zegt de medewerker verontschuldigend, ‘een moment, dan loop ik even naar achter om m te halen.’ Terwijl de medewerker verdwijnt ontspant het gezicht van de man. Hij leunt tevreden met zijn elleboog op de toonbank. Zijn blik valt op de afdeling wasdrogers. Toch wel handig zo’n apparaat, denkt hij, zijn onderbroeken aan zo’n waslijn in de tuin had hij altijd al een beetje achterbuurtachtig gevonden, misschien dat hij zijn vrouw volgende week kan meenemen om er één uit te zoeken, ja, dat gaat hij haar voorstellen zodra hij thuis is.

De medewerker komt weer tevoorschijn, met de doos waar de radio in zit. ‘Heeft u er veel werk aan gehad?’ vraagt de man. ‘Dat valt reuze mee,’ zegt de medewerker. ‘O,’ zegt de man, en hij weet niet of hij teleurgesteld of opgelucht moet zijn. ‘Wat was het probleem nu precies?’ ‘Ja, dat is het hem nou juist,’ zegt de medewerker, ‘er is eigenlijk helemaal geen probleem. Het apparaat functioneert nog prima.’ ‘Maar heeft u dan helemaal geen gekke geluiden gehoord?’ vraagt de man met toenemende verbazing en denkt bij zichzelf ‘zul je zien dat ze dat apparaat gewoon een week op dezelfde plek hebben laten staan en er helemaal niet naar hebben gekeken,’ en hij merkt dat hij zich alweer begint op te winden. ‘Jawel,’ zegt de medewerker. ‘Eén keer.’ ‘Dus toch!’ zegt de man, niet helemaal zonder zelfgenoegzaamheid. ‘Ja, maar zegt u eens,’ antwoordt de medewerker snel, ‘toen de radio bij u zulke gekke geluiden begon te maken, klonk dat misschien ongeveer zo?’ De medewerker tuit zijn lippen en stoot dan de volgende klanken uit. ‘Wiiiiieeeeeeee woewoewoewoewoe bwoooooooooh. Zoiets?’

Het blijft even stil. Verbluft kijkt de man de medewerker achter de toonbank aan. ‘Zo was het. Ja, zo was het precies.’ De medewerker glimlacht flauwtjes. ‘Ja, zoals ik dus al zei; er is niets met uw apparaat aan de hand.’ ‘Hoe bedoelt u?’ vraagt de man licht verontwaardigd, ‘U heeft het toch zelf gehoord? Die vreselijke geluiden, u doet ze nu zelf na. Dan is er toch iets mis met het apparaat, of niet soms?’ ‘Nee meneer, neem van mij aan: dat apparaat was volkomen in orde. Weet u waar u last van had?’ ‘Nou?’ vraagt de man ongelovig. ‘Dubstep,’ zegt de medewerker. ‘U had last van dubstep. Da’s een muziekstroming waar ze allerlei hoge en lage frequenties achter elkaar uitzenden. Het is vooral populair onder jongeren. Wat oudere mensen doet het vooral pijn aan de oren, ze snappen niet wat die jongelui daar nou in horen. ‘Dat is toch geen muziek?’ zeggen ze dan. En: ‘Het lijkt wel of de radio stoort.’ Maar maakt u zich geen zorgen, want dubstep is eigenlijk alweer uit. Je hoort het nog maar nauwelijks op de radio. Dus binnen de kortste keren zult u er geen last meer van hebben.’